2. Opbouw en afbraak
Publiek
Woorden in deze lijst (35)
Origineel
- aardbeving
- Trilling van de aarde, meestal veroorzaakt door een plotselinge verschuiving van aardplaten.
- aardkern
- Gloeiend hete binnenste van de aarde.
- aardkorst
- Vaste laag gesteente aan de buitenkant van de aarde.
- aardmantel
- Laag heet gesteente tussen de aardkorst en de aardkern.
- cultuurlandschap
- Landschap dat vooral door mensen is gemaakt.
- epicentrum
- Plaats aan het aardoppervlak direct boven de aardbeving.
- aardplaat
- Stuk van de aardkorst dat langzaam op het gesmolten gesteente in de aardmantel beweegt.
- afzetting
- Het neerleggen van verweringsmateriaal als de transportsnelheid van water, wind of ijs afneemt.
- erosie
- Uitschurende werking van water, ijs en wind bij het transport van verweringsmateriaal.
- geiser
- Bron die met min of meer regelmatige tussenpozen heet water en stoom hoog in de lucht spuit.
- grondsoort
- Het materiaal waaruit de ondergrond bestaat.
- Hoog-Nederland
- Deel van Nederland dat boven NAP ligt (oosten en zuiden).
- hoogtelijn
- Lijn die punten van gelijke hoogte verbindt.
- ijstijd
- Lange periode in het verleden waarin de temperatuur op aarde een stuk lager was dan nu.
- isolijn
- Lijn die punten met een gelijke waarde verbindt.
- kegel
- Hoge kraterrand ontstaan uit gestolde lava, modder en steen.
- krater
- Vulkaanopening waaruit lava komt.
- Laag-Nederland
- Deel van Nederland dat onder NAP ligt (westen en noorden).
- landschap
- Zichtbare deel van het aardoppervlak.
- lava
- Magma dat bij een vulkaanuitbarsting aan de oppervlakte komt.
- löss
- Heel fijn zand dat afgezet is door de wind.
- magma
- Gesmolten gesteente dicht onder de aardkorst.
- magmakamer
- Grote ruimtes in de aardkorst vol met gloeiend gesmolten gesteente.
- Normaal Amsterdams Peil (NAP)
- Gemiddelde hoogte van de zeespiegel.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- schaal van Richter
- Meetmethode om de kracht van een aardbeving uit te drukken in een getal.
- schildvulkaan
- Vulkaan met een flauwe helling en rustige uitbarstingen waarbij dunne lava onder weinig druk wegstroomt.
- seismoloog
- Aardbevingsdeskundige.
- stratovulkaan
- Kegelvulkaan met steile hellingen, met explosieve uitbarstingen door stroperig magma onder hoge druk.
- stuwwal
- Door een gletsjer opgeduwde heuvel.
- tsunami
- Hoge vloedgolf die kan ontstaan door een zware aardbeving in de oceaan.
- veen
- Grondsoort die bestaat uit plantenresten.
- verwering
- Afbraak van gesteenten door onder andere de werking van het weer en de plantengroei.
- verwerkingsmateriaal
- Losgekomen gesteente dat door verwering in stukken is gebroken.
- vulkaan
- Berg die is opgebouwd uit materiaal dat uit het binnenste van de aarde is uitgeworpen of uitgevloeid.