Alle woorden unite 6

Publiek
11
Woorden in deze lijst (111)
Origineel
- hoeveel
- combien
- een fles
- une bouteille
- een glas
- un verre
- een beetje
- un peu
- weinig
- peu
- veel
- beaucoup
- genoeg
- assez
- geen
- ne...pas
- niet meer
- ne...plus
- nooit
- ne...jamais
- een stuk
- un morceau
- een pak/
een zak - un paquet
- een liter
- un litre
- een kilo
- un kilo
- een gram
- un gramme
- soms
- parfois
- vooral
- surtout
- gezond
- sain
- de gezondheid
- la santé
- het eten
- la nourriture
- de pasta
- les pâtes
- de pizza
- la pizza
- de frites
- les frites
- de hamburger
- le hamburger
- de sperziebonen
- les haricots-verts
- de bloemkool
- le chou-fleur
- het worstje
- le saucisson
- de yoghurt
- le yaourt
- de jam
- la confiture
- het drankje
- la boisson
- de sinaasappelsap
- le jus d'orange
- de melk
- le lait
- de koffie
- le café
- de wortel
- la carotte
- de kip
- le poulet
- het gerecht
- le plat
- heerlijk
- délicieux
- proeven
- gouter
- het wordt gemaakt met
- c'est fait avec
- typisch
- typiquement
- echt
- vraiment
- eerst
- d'abord
- helpen
- aider
- ik ken
- je connais
- graag
- volontiers
- natuurlijk
- bien sûr
- gisteren
- hier
- vanavond
- ce soir
- de thee
- le thé
- het snoepje
- le bonbon
- het mineraal water
- l'eau minérale
- de week
- la semaine
- de fiets
- le vélo
- warm
- chaud
- twaalf uur
- Ã midi
- anders
- différent
- de salade
- la salade
- ik geloof
- je crois
- ik moet
- je dois
- snel
- vite
- makkelijk
- facile
- de olie
- l'huile
- het zout
- le sel
- de peper
- le poivre
- snijden
- couper
- mengen
- mélanger
- toevoegen
- ajouter
- honger hebben
- avoir faim
- dorst hebben
- avoir soif
- drinken
- boire
- eten
- manger
- de maaltijd
- le repas
- het ontbijt
- le petit-déjeuner
- de lunch
- le déjeuner
- het avondeten
- le diner
- de groenten
- les légumes
- het fruit
- le fruit
- de vis
- le poisson
- het vlees
- la viande
- de kaas
- le fromage
- het stokbrood
- la baguette
- het brood
- le pain
- het ei
- l'œuf
- betalen
- payer
- kopen
- acheter
- duur/
niet duur - cher/
pas cher - de supermarkt
- le supermarché
- ik neem
- je prends
- jij neemt
- tu prends
- hij neemt
- il prend
- zij neemt
- elle prend
- wij nemen/
men neemt - on prend
- wij nemen
- nous prenons
- jullie nemen/
u neemt - vous prenez
- zij nemen/
m - ils prennent
- zij nemen/
v - elles prennent
- de sinas
- l'Orangina
- het glas
- le verre
- de appelsap
- le jus de pomme
- de tosti
- le croquemonsieur
- te/
teveel - trop
- het ijsje
- la glace
- de slagroom
- la crème chantilly
- de sinaasappel
- l'orange
- de appel
- la pomme
- de boter
- le beurre
- gratis
- gratuit
- de croissant
- le croissant
- nog
- encore
- boodschappen doen
- faire des courses
- de prijs
- le prix