Genenparen
Publiek
Woorden in deze lijst (16)
Origineel
- Homologe chromosomen
- Chromosomen die in paren voorkomen en genen voor dezelfde erfelijke eigenschappen bevatten op dezelfde plaats.
- Homozygoot
- Toestand waarbij een individu twee dezelfde allelen voor een bepaalde eigenschap bezit.
- Heterozygoot
- Toestand waarbij een individu twee verschillende allelen voor een bepaalde eigenschap bezit.
- Dominant allel
- Het allel dat bij een heterozygoot individu tot uiting komt in het fenotype.
- Recessief allel
- Het allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant allel aanwezig is.
- Drager
- Een persoon die heterozygoot is voor een recessieve eigenschap en het recessieve allel wel in het genotype heeft, maar niet in het fenotype.
- Volledige dominantie
- Situatie waarbij een recessief allel helemaal niet tot uiting komt in het fenotype.
- Onvolledig dominant
- Een allel dat bij een heterozygoot individu niet volledig overheerst, waardoor het recessieve allel toch een beetje tot uiting komt.
- Intermediair fenotype
- Een fenotype waarbij beide allelen van een genenpaar enigszins tot uiting komen.
- Codominantie
- Vorm van overerving waarbij beide allelen in het genotype volledig tot uiting komen in het fenotype.
- Genetica
- De erfelijkheidsleer waarbij de overerving van genen en eigenschappen wordt bestudeerd.
- Recombinatie
- Het herverdelen van erfelijke eigenschappen door meiose en geslachtelijke voortplanting, waardoor nieuwe combinaties van allelen ontstaan.
- Genetische variatie
- De grote verscheidenheid aan genotypen binnen een soort door recombinatie en mutaties.
- Mutaties
- Veranderingen in de erfelijke eigenschappen van een organisme.
- Eeneiige tweeling
- Tweeling die is ontstaan uit de versmelting van één zaadcel en één eicel en daardoor over precies hetzelfde genotype beschikt.
- Twee-eiige tweeling
- Tweeling die is ontstaan uit twee verschillende eicellen en twee verschillende zaadcellen, waardoor de leden een verschillend genotype hebben.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–