NL-DU P4 Testwoche
Publiek
0
Woorden in deze lijst (98)
Origineel
- de boekenwinkel
- der Buchladen
- de cent
- der Cent
- de euro
- der Euro
- de ham
- der Schinken
- de kaas
- der Käse
- de prijs
- der Preis
- de supermarkt
- der Supermarkt
- de taart
- der Kuchen
- de winkel
- der Laden
- de bakkerij
- die Bäckerei
- de banketbakkerij
- die Konditorei
- het blikje
- die Dose
- het bolletje
- die Kugel
- de boter
- die Butter
- de chocola
- die Schokolade
- de ijssalon
- die Eisdiele
- de melk
- die Milch
- de slagerij
- die Metzgerei
- de slagroom
- die Sahne
- de tas
- die Tasche
- het tasje, zakje
- die Tüte
- de worst
- die Wurst
- het broodje
- das Brötchen
- het gehakt
- das Hackfleisch
- het geld
- das Geld
- de kilo
- das Kilo
- de portemonnee
- das Portmonee
- het stuk
- das stück
- betalen
- bezahlen
- boodschappen doen
- einkaufen
- helpen
- helfen
- kopen
- kaufen
- kosten
- kosten
- nodig hebben
- brauchen
- pinnen
- mit Karte zahlen
- zoeken
- suchen
- anders, verder
- sonst
- contant
- bar
- duur
- teuer
- goedkoop
- billig, günstig
- samen, bij elkaar
- zusammen
- Tot ziens!
- Auf Wiedersehen!
- de koffie
- der Kaffee
- de peper
- der Pfeffer
- de rijst
- der Reis
- de sinaasappelsap
- der Orangensaft
- de suiker
- der Zucker
- de thee
- der Tee
- de cola
- die Cola
- de saus, de jus
- die Soße
- de soep
- die Suppe
- het brood
- das Brot
- het fruit
- das Obst
- de groenten
- das Gemüse
- het ijs
- das Eis
- het zout
- das Salz
- de aardappelen
- die Kartoffeln
- de pasta
- die Nudeln
- de patat, friet
- die Pommes
- de camping
- der Campingplatz
- de caravan
- die Wohnwagen
- het strand
- der Strand
- de trein
- die Bahn
- het vakantieappartement
- die Ferienwohnung
- de auto
- das Auto
- het hotel
- das Hotel
- het kamp
- das Camp
- het museum
- das Museum
- de tent
- das Zelt
- het vakantiehuis
- das Ferienhaus
- de zee
- das Meer
- het zwembad
- das Schwimmbad
- de vakantie
- die Ferien
- de zomervakantie
- die Sommerferien
- Denemarken
- Dänemark
- Frankrijk
- Frankreich
- Italië
- Italien
- Spanje
- Spanien
- afspreken
- sich treffen
- gaan, rijden
- fahren
- kamperen
- zelten
- op vakantie gaan
- in den Urlaub fahren
- overnachten
- übernachten
- daarna
- danach
- eerst
- zuerst
- Goede reis!
- Gute Reise!
- iedere dag
- jeden Tag
- later
- später
- naar
- nach
- Veel plezier!
- Viel Spaß!
- kunnen
- können
- moeten (het kan niet anders, noodzaak)
- müssen
- moeten (wil van een ander)
- sollen
- leuk vinden, lusten
- mögen
- mogen
- dürfen
- weten
- wissen
- willen
- wollen
- willen (wens)
- möchten