1.3 alles voor de winst: 1980-2010
Publiek
1keer geoefend
Woorden in deze lijst (14)
Origineel
- unipolaire wereld
- VS als politiek en economisch machtigste staat na 1980.
- halffabricaten
- tussenproducten in een productieproces.
- just-in-timeprincipe
- materialen en producten worden precies op tijd geleverd en geproduceerd.
- offshoring
- het verplaatsen van arbeidsintensieve onderdelen van de productieketen door mno's uit de centrumlanden naar landen met lagere lonen.
- NIC-landen
- Taiwan, Singapore, Hongkong, Zuid-Korea - profiteerden van werkgelegenheid door offshoring, loon- en kennisniveau steeg.
- BRICS-landen
- Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika - profiteerden ook weer van werkgelegenheid door offshoring, stijging kennis en kapitaal.
- de-industrialisatie
- in de centrumlanden wordt de industrie verplaatst naar lagelonenlanden, de focus komt nu te liggen op de tertiaire sector.
- outsourcing
- het uitbesteden van werk aan een ander bedrijf, meestal vanwege kostenbesparing.
- FDI
- investeringen in andere landen.
- neoliberalisme
- kleine overheid, lage belastingtarieven, privatisering van diensten, vrijhandel.
- WTO
- bevorderd de internationale vrijhandel: handelsbelemmeringen afschaffen, vrijhandelsverdragen.
- IMF
- wereldbank die leningen verstrekt aan landen met betalingsbalansproblemen.
- neokolonialisme
- toenemende economische afhankelijkheid van met name de voormalige koloniën van westerse landen.
- global shift
- verschuiving van het economisch zwaartepunt van West-Europa en Noord-Amerika richting de Pacific Rim.