Unit 5 - Lesson 3 - Speaking - NL/ENG
Publiek
Woorden in deze lijst (39)
Origineel
- arm
- poor
- betalen
- to pay
- blut
- broke
- goedkoop
- cheap
- kopen
- to buy
- korting
- discount
- kosten
- to cost
- lenen
- to borrow
- rijk
- rich
- salaris
- salary
- verkopen
- to sell
- waard
- worth
- werken bij
- to work at
- Waar kom je vandaan?
- Where are you from?
- Waar ga je naar school?
- Where do you go to school?
- Hoeveel geld verdien je?
- How much money do you earn?
- Hoeveel zakgeld krijgt hij?
- How much pocket money does he get?
- Wat voor baan heeft je vriend(in)?
- What kind of job does your friend have?
- Was je T-shirt duur?
- Was your T-shirt expensive?
- Ben je goed in het vinden van koopjes?
- Are you good at finding bargains?
- Wat is je favoriete band?
- Who are your favourite band?
- Ik kom uit Dublin.
- I’m from Dublin.
- Ik ben zit op Middleton College.
- I’m a student at Middleton College
- Ik heb een baan.
- I have a job.
- Ik heb geen baan.
- I don’t have a job.
- Ik verdien 9 euro per uur.
- I earn 9 euros an hour.
- Mijn vriend werkt als een verkoper /
verkoopster. - My friend works as a sales assistant.
- Ze is erg goed in geld sparen.
- She is very good at saving money.
- Ze is niet erg goed in geld sparen.
- She is not very good at saving money.
- Neem me niet kwalijk iedereen.
- Excuse me, everyone.
- Mag ik jullie aandacht?
- May I have your attention?
- Pardon, maar
- Pardon me, but
- Stoor ik?
- Am I interrupting?
- Kun je wat langzamer praten?
- Could you speak more slowly?
- Zou je dat kunnen herhalen, alsjeblieft?
- Could you repeat that, please?
- Sorry, wat zei je?
- I'm sorry, what did you say?
- Pardon?
- Pardon me? /
Pardon? - Ik versta je niet.
- Sorry, I didn’t get that.
- Ik begrijp niet wat je zegt.
- I don't understand what you're saying.