BVJ 5H Hoofdstuk 2 DNA

Publiek
4keer geoefend
Woorden in deze lijst (56)
Origineel
- adenine
- een stikstofbase (A)
- allel
- 1 van de genen van een genenpaar/
variant van een gen - aminozuur
- organische stoffen met carboxyl- en aminogroepen. ongeveer 20 van deze spelen een rol als grondstof voor de synthese van eiwitten
- basenparing
- de stikstofbasen van de beide nucleotidenketens zijn twee aan twee met elkaar verbonden. (A met T, en C met G)
- cDNA
- complementair DNA of copyDNA
- centromeer
- deel van een chromosoom, waar de twee zusterchromatiden aan elkaar verbonden zijn. Bij kerndeling hecht hieraan de spoeldraad vast
- chromatide
- 1 van de 2 helften van een chromosoom, die bij het centromeer aan elkaar verbonden zijn
- chromosoom
- structuur, die in lineaire volgorde genen bevat, bestaat uit DNA en eiwitten en zijn te zien tijdens mitose en meiose
- codon
- groep van drie mucleotidebasen (triplet), die codeert voor een bepaald aminozuur in een eiwit
- cytosine
- een stikstofbase (C)
- desoxyribose
- een suiker met 5 C-atomen per molecuul, bestanddeel van DNA
- DNA
- desoxyribonucleinezuur, een keten (molecuul) opgebouwd uit nuleotiden, die bestaan uit een suiker (desokyribose) een stikstofbase en een fosfaatgroep
- DNA-polymerase
- enzym dat langs de enkelvoudige nucleotideketens schuift tijdens de DNA replicatie en er voor zorgt dat er DNA dubbelstrengen ontstaan
- DNA-replicatie
- het kopieren van DNA, waarna een chromosoom bestaat uit twee chromatiden die vastzitten met een centromeer
- DNA-sequentie
- volgorde van de vier boustenen waaruit DNA is opgebouwd
- eiwit
- een stof waarvan elk molecuul is opgebouwd uit veel aminuzuur-eenheden
- epigenetica
- de studie van wijzigingen in de genexpressie zonder dat er wijzigingen in de DNA-sequentie plaats vinden
- epigenetische factoren
- invloeden die de werking van genen beinvloeden, zoals stress, voeding en drugs
- eukaryoot
- bij dit organisme ligt het DNA in de celkern (cel bevat organellen)
- gen
- een gedeelte van het chromosoom met gecodeerde informatie voor 1 erfelijke eigenschap
- genetische modificatie
- veranderen van het DNA van een bepaald organisme, bijv. het overbrengen van DNA vna het ene organisme naar het andere
- genexpressie
- het tot uiting komen van een gen
- genoom
- de volledige set genen van een organisme inclusief niet-coderend DNA
- genoommutatie
- mutaties waarbij het aantal chromosomen in een cel veranderd is
- genregulatie
- het aan of uitzetten van een gen
- ggo
- genetisch gemodificeerd organisme
- guanine
- een stikstofbase (G)
- helixstructuur
- een molecuulstructuur van het DNA, dat uit een dubbelspiraal bestaan en RNA dat uit een enkelspiraal bestaat
- junk-DNA /
niet-coderend DNA - de naam voor stukken DNA in het genoom die geen bekende functie hebben, ongeveer 95% van het menselijk genoom
- karyogram
- een chromosomenportret
- metastase
- uitzaaiing van tumoren naar andere lichaamsdelen
- mitochondriaal DNA (mtDNA)
- klein ringvormig DNA in de mitochondrien, wat alleen via de eicel aan een volgende generatie wordt doorgegeven
- mitose
- kerndeling waardoor twee kernen ontstaan die hetzelfde genotype hebben als de oorspronkelijke kern
- mutatie
- verandering in de volgorde van het DNA of RNA
- nucleinezuur
- een stof, waarvan elk molecuul bestaat uit 1 of 2 strengen nucleotiden die samen 1 of 2 polynucleotideketens vormen, komt voor in DNA en RNA
- nucleotide
- bestanddeel van nucleinezuur, bestaat uit monosacharide, een organische base en een fosfaatgroep
- oncogen
- ontstaat na mutaties uit een proto-oncogen, zet een cel aan tot abnogmaal snel groeien en delen
- plasmide
- korte stukjes circulair DNA in sommige prokayoten
- proto-oncogen
- coderen voor eiwitten die de celgroei en celdifferentiatie stimuleren. Door een mutatie kan een proto-oncogen veranderen in een oncogen
- puntmutatie
- een verandering in 1 nucleotidepaar
- recombinant-DNA-techniek
- techniek waarbij delen van het DNA van verschillende organismen bij elkaar gebracht worden
- regulatorgen
- genen die regelen dat de juiste genen op de juiste momenten tot expressie komen
- repressor
- is een DNA- of RNA-bindend eiwit dat de expressie van een of meerdere genen verhindert door te binden op de operator
- ribose
- een suiker dat in RNA zit i.p.v. de desoxyribose in DNA
- ribosoom
- bolvormig organel dat een belangrijke rol speelt bij de eiwitsynthese, zijn veelal gelegen op de membramen van het endoplasmatisch reticulum
- RNA
- ribonucleinezuur, nucleinezuur dat ribose als sacharide en de basen uracil, adenine, guanine en cytosine bevat, bestaat uit een enkele streng nucleotiden
- SRY-gen
- gen op het Y-chromosoon, stuurt de ontwikkeling van een embryo tot een man
- startcodon
- codon (AUG) waarmee het af te lezen deel van het mRNA-molecuul begint
- stikstofbase
- een van de vijf basen in DNA of RNA, Thymine, Adenine, Cytosine, Guanine en Uracil
- stopcodon
- codon of triplet in mRNA dat niet codeert voor een aminozuur, maar het einde aangeeft van de eiwitsynthese
- structuurgenen
- genen die de info bevatten voor de eiwitsynthese in ribosomen
- thymine
- een stikstofbase (T)
- transgeen
- een organisme dat een vreemd gen (een transgen) in zijn erfelijk materiaal draagt
- tumorsuppressorgen
- gen dat info bevat voor een eiwit, die er voor zorgt dat een cel met te veel of onherstelbare DNA-schade overgaat tot celdood
- uracil
- in plaats van thymine bevat een RNA-nucleotide deze stikstofbase
- virus
- molecuur DNA of RNA, omgeven door een capside, een eiwitmantel, met bij sommige typen daaromheen een envelop, hebben geen eigen stofwisseling