Lj1 - Aardrijkskunde - H6 - Begrippen
Publiek
1
Woorden in deze lijst (45)
Origineel
- aanlandige wind
- Wind vanaf zee
- aflandige wind
- wind vanaf land
- breedteligging
- de afstand van een plaats tot de evenaar
- dimensie
- De invalshoek van waaruit je een bepaald onderwerp bekijkt /
zoals: fysisch, economisch, sociaal-cultureel, demografisch of politiek. - gematigde zone
- Luchtstreek tussen de breedtecirkels van 23½ en 66½° N.B. en 23½ en 66½° Z.B.
- hoge breedte
- De ligging van een plaats ver van de evenaar /
de ligging van een plaats hoger dan 60° N.B en Z.B. - lage breedte
- De ligging van een plaats dicht bij de evenaar /
de ligging van een plaats lager dan 30° N.B. en Z.B. - middernachtzon
- Periode in de zomer in de poolstreken waarin de zon niet ondergaat.
- poolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B. en 66½° Z.B.
- poollicht
- Gekleurde lichtverschijnselen aan de hemel, veroorzaakt door botsing van zonnedeeltjes die de ruimte in worden geslingerd tegen het magnetische veld van de aarde aan
- Poolnacht
- Periode in de winter in de poolstreek waarin de zon niet opkomt.
- poolstreek
- Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B.
- subtropen
- Deel van de gematigde zone dat het dichtst bij de tropen ligt. Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone.
- temperatuurfactor
- factor die invloed heeft op de temperatuur in een gebied
- zeestroom
- Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit één richting waait.
- eeuwige sneeuw
- gebied waar altijd sneeuw ligt
- gelede kust
- Kust met veel inhammen waar de zee diep het land kan binnendringen
- gletsjer
- enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift
- heuvelland
- gebied met een hoogteligging tussen de 200 m en 500 m
- hooggebergte
- gebergte met toppen hoger dan 1500 m
- hoogvlakte /
plateau - Vlak of zachtgolvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt
- klimaat
- het gemiddelde weer in een bepaald gebied over een lange periode, meestal dertig jaar
- klimaatscheiding
- Verschijnsel dat de gebieden aan beide kanten van een berg andere neerslag- en temperatuurkenmerken hebben.
- laagland
- Gebied met een hoogteligging lager dan 200 m
- laagvlakte
- gebied met weinig of geen reliëf dat onder de 500 m ligt
- lijzijde
- de kant van de berg(en) die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag
- loefzijde
- de windkant van de berg, er valt veel neerslag /
de windkant van de bergen, er valt veel neerslag - middelgebergte
- Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 m en 1.500 m hoog zijn.
- neerslag
- Water dat in vaste (sneeuw, hagel) of vloeibare (regen, mist) vorm uit de dampkring op aarde neerkomt /
water dat in vaste: sneeuw, hagel of vloeibare: regen, mist uit de dampkring op aarde neerkomt - regenschaduw
- de lijzijde van een berg, waar de dalende en warme lucht weinig of geen neerslag brengt
- reliëf
- hoogteverschillen in het landschap
- schiereiland
- Een gebied dat aan drie kanten is omringd door de zee.
- stuwingsneerslag
- neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte
- temperatuurgradiënt
- de daling van de temperatuur bij de toenemende hoogte. per 100 m stijging wordt het 0,6 °C kouder.
- boomgrens
- grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (lager dan 10 °C in de zomer) /
grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur, lager dan 10 °C in de zomer - droog klimaat
- klimaat met weinig of geen neerslag
- hooggebergteklimaat
- Koud en nat klimaat. De temperatuur in de zomer is gemiddeld lager dan 0 °C.
- jaaramplitude
- het verschil tussen de gemiddeld hoogste en laagste temperatuur in een jaar.
- klimaatdiagram
- Diagram met een overzicht van de gemiddelde temperatuur en neerslag per maand in een plaats of gebied.
- landklimaat
- klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur in de warmste maand hoger is dan 10 °C en in de koudste maand lager is dan -3 °C.
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde zone (luchtstreek) waar loofbomen groeien, zoals eiken en beuken.
- Middellandse Zeeklimaat /
mediteraan klimaat - klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters.
- naaldboomgordel /
taiga - Natuurlandschap in de gematigde zone met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan −3 °C.
- toendraklimaat
- natuurlandschap in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struiken.
- zeeklimaat
- Klimaat met een gemiddelde temperatuur in de warmste maand van boven de 10 °C en in de koudste maand van tussen de 18 en -3 °C. Het heeft koele zomers, zachte winters en er valt het hele jaar door neerslag.