Biologie woordenlijst DNA (BS3 t/m BS6)
Publiek
1
Woorden in deze lijst (81)
Origineel
- DNA-replicatie
- Het vormen van een nieuwe DNA streng, van 5->3
- Eiwit-synthese
- Het vormen van nieuwe eiwitten
- RNA
- enkelstrengs nucleïnezuur
- Uracil (U)
- nucleotiden in RNA ipv Thymine (T)
- mRNA
- Brengt informatie voor de eiwitsynthese naar molecuul
- rRNA
- bestandsdeel van ribosomen
- tRNA
- Bindt aan aminozuren en brengt deze naar de ribosomen
- Transcriptie
- vorming van mRNA --> aflezen '3 -->'5 maar synthese vanaf '5-->'3
- RNA-polymerase
- bindt op de promotor om vanaf hier de transcriptie te starten
- Promotor
- deel op het DNA waar de RNA-polymerase aan bindt
- transcriptiefactoren
- Eiwitten aanwezig op de promotor om de RNA-polymerase te laten binden
- Template streng
- Streng met het promotor, vanaf hier wordt het mRNA gevormd
- coderende streng
- de overige DNA-streng zonder promotor
- Eindsignaal
- een volgorde stikstofbasen die de transcriptie stoppen
- pre-mRNA
- mRNA dat er gevormd wordt in de celkern voor het bewerkt wordt
- RNA-processing
- bewerking pre-mRNA naar mRNA zodat het celkern via porie kan verlaten.
- Introns
- Stukken niet coderende DNA, niet aanwezig in mRNA
- Exons
- Korte stukken coderende DNA, hieruit is mRNA opgebouwd
- splicing
- het wegknippen van introns uit pre-mRNA en daarna het aan elkaar plakken van de exons
- alternatieve splicing
- meerdere mRNA moleculen worden er gevormd uit 1 streng pre-mRNA. 1 gen kan meerdere eiwitten coderen
- Eiwitten
- moleculen verantwoordelijk voor bepaalde taken en eigenschappen in een organisme
- Aminozuren
- bouwstenen van eiwitten, aantal en volgorde verschilt per eiwit
- Ribosoom
- koppelt de juiste aminozuren in de juiste volgorde om eiwitten te vormen
- Translatie
- De informatie uit het mRNA omzetten aan het binden van de juiste aminozuren om een peptideketen te vormen. Aflezen van '5 -->'3
- codon
- 3 achtereenvolgende nucleotiden in mRNA
- startcodon
- AUG --> volgorde nucleotiden
- stopcodon
- specifieke codons die de translatie stoppen
- tripletcode
- de 3 nucleotiden die voor 1 bepaald aminozuur coderen
- complementaire basenparen
- A&T en C&G (A en C het zwaarst en T en G het lichtst)
- Anti-codon
- Stikstofbasen in een codon op een van de lussen van het tRNA dat zich bindt aan de complementaire basen op het mRNA molecuul om de translatie te starten
- peptideketens
- ketens van aminozuren, gevormd door een ribosoom
- klein ribosoomdeel
- bindt aan mRNA en schuift door tot start codon
- groot ribosoomdeel
- bindt aan tRNA en mRNA en dus ook het kleine ribosoomdeel om de translatie te starten
- Bindingsplaats E
- de plek waar de tRNA-moleculen die een aminozuur hebben afgeleverd zich loslaten
- Bindingsplaats P
- de plek waar de gebonden tRNA een aminozuur vrijlaat dat zich bind met het aminozuur op de A-plaats
- Bindingsplaats A
- tRNA-aminozuurcomplex bindt zich via anti-codon op complementair deel van mRNA via H-bruggen
- cytoplasma of endoplasmatisch reticulum
- Hierin komt het eiwit vrij na de vorming
- golgisysteem
- bewerkt de eiwitten nog verder
- proteasen
- vernietigen eiwitten met een foute vorm
- genregulatie
- het aan en uitzetten van genen
- genexpressie
- Informatie van DNA door transcriptie naar pre-mRNA en RNA omgezet en door translatie naar eiwitten omgezet
- regulatorgenen
- genen die de genexpressie reguleren
- structuurgenen
- de genen die er worden afgelezen bij genexpressie, die met dezelfde functie liggen dicht bij elkaar
- operon
- de gezamelijke promotor van een prokaryoot, hierachter liggen de structuurgenen
- repressors
- regulerende eiwitten, remmen of stoppen de genexpressie
- operator
- deel van het DNA waar een repressor aan kan binden om de RNA-polymerase te blokkeren
- stamcellen
- niet gespecialiseerde cellen die splitsen in 2 dochtercellen
- celdifferentiatie
- het splitsen van 1 stam cel in 1 gespecialiseerde dochtercel en 1 nieuwe stamcel
- embryonale stamcel
- tot elk celtype specialiseren, afhankelijk van plek
- late gen. stamcel
- tot beperkt aantal celtypen specialiseren
- Embryonale ontwikkelling
- ontwikkeling van cellen in een embryo
- Stamceltransplantatie
- stamcellen worden geoogst, daarna opgekweekt en aangezet tot differentiatie. Dan bij patiënt ingebracht.
- apoptose
- geprogrammeerde celdood, door enzymen die cytoskelet afbreken waardoor de cel in zakt en contact met andere cellen verliest. Het DNA wordt kapot geknipt en de cel valt uit een.
- activators
- transcriptiefactoren die genexpressie verhogen
- micro-RNA (miRNA)
- remt genexpressie door afbreken/
blokkeren mRNA-moleculen - RNA-interferentie
- bindt complementair aan mRNA en blokkeert binding van ribosoom of breekt het mRNA af.
- methylering
- Methylgroepen binden aan DNA-stikstofbasen zodat ze niet kunnen worden afgelezen. Wordt doorgegeven aan nageslacht.
- Epigenetica
- bestuderen van omkeerbare veranderingen in genactiviteit die niet gevolgen zijn van DNA verandereing
- Mutaties
- fouten in DNA-replicatie die tot DNA verandering leiden
- subsitutie
- vervanging van nucleotide uit DNA
- deletie
- verwijdering van nucleotide uit DNA
- insertie
- toevoegen van een nucleotide in het DNA
- puntmutatie
- mutatie van 1 enkel nucleotide
- leesraamverschuiving
- alle nucleotiden op mRNA schuiven door waardoor de codons veranderen en dus het eiwitten. Kan door deletie of insertie
- genoom mutatie
- verandering in aantal chromosomen in cel
- meiose 1 mutatie
- homologe chromosomen niet gescheiden
- meiose 2 mutatie
- 2 chromatiden blijven aan elkaar zitten
- zygote
- 'baby' of nageslacht
- Syndroom van down (trisomie-21)
- het 21e chromosoom komt 3x voor
- mutagene straling
- röntgen-, UV- en radioactieve straling
- proofreading
- opmerken van fouten in DNA door DNA-polymerase tijdens replicatie. Fouten worden weggeknipt en juiste basen worden ingebouwd
- tumorsupressor gen
- codeert voor eiwit dat de celcyclus stopt zodat de DNA-reparatie kan worden uitgevoerd
- recessieve mutaties
- omdat mutatie vaak maar in 1 chromosoom zit erven ze meestal recessief
- kanker
- aandoening waarbij cellen ongecontroleerd blijven delen en wort veroorzaakt door mutaties op regulerende genen.
- proto-oncogenen
- coderen eiwitten die celgroei en differentiatie stimmuleren
- oncogen
- gevormd door mutatie in proto-oncogen en leidt tot abnormale celgroei en celdeling
- goedaardige tumor
- verstoort bouw van weefsels niet en heeft geen loslatende cellen naar andere plekken
- kwaadaardige tumor
- snelgroeiend (ongevoelig voor delingremmende stoffen). Celvorm wijkt af en functioneren fout/
slecht. bloedvaten naar tumor voor celverspreiding en voedsel/ O2 voorziening. - primaire tumor
- het 'eerste' kankergezwel
- secundaire tumor
- tumor die op een andere plek vormt door het loslaten van cellen uit de primaire tumor
- metastase (uitzaaiing)
- het uitzaaien van een tumor