Katern 3 Marktvormen en marktfalen - 4/5 havo (7e editie) - hoofdstuk 2.4
Publiek
Woorden in deze lijst (18)
Origineel
- beroepsbevolking
- Alle mensen tussen 15 en 75 jaar die betaald werk hebben of betaald zoeken. De werkzame beroepsbevolking zijn alle mensen tussen 15 en 75 jaar die betaald werk verrichten. De werkloze beroepsbevolking zijn alle mensen tussen 15 en 75 jaar die betaald werk zoeken.
- aanbod van arbeid
- Gelijk aan de beroepsbevolking.
- beroepsgeschikte bevolking
- Alle mensen tussen 15 en 75 jaar die in staat zijn te werken.
- participatiegraad
- De mate waarin mensen deelnemen aan de arbeidsmarkt. De bruto participatiegraad is de beroepsbevolking delen door de beroepsgeschikte bevolking x 100%. De netto participatiegraad is de werkzame beroepsbevolking delen door de beroepsgeschikte bevolking x 100%.
- werkgelegenheid
- Alle bezette banen en vacatures samen.
- vraag naar arbeid
- Gelijk aan de werkgelegenheid.
- arbeidsjaren
- Een arbeidsjaar is een fulltime baan op jaarbasis.
- werkloosheid
- Geregistreerde werkloosheid omvat de mensen tussen 15 en 75 jaar die als werkzoekende staan ingeschreven (bij het UWV) en minimaal 1 uur per week willen werken.
- conjuncturele werkloosheid
- Doordat de totale bestedingen in een land achterblijven (vanwege een slechte economische situatie) daalt de vraag naar arbeid.
- structurele werkloosheid (kwantitatief)
- Er zijn onvoldoende arbeidsplaatsen, bijvoorbeeld door een toename van de beroepsbevolking of door het vervangen van arbeid door machines en computers.
- structurele werkloosheid (kwalitatief)
- Mensen zijn werkloos omdat ze onvoldoende geschoold zijn of niet de juiste opleiding gevolgd hebben. Of ze zijn werkloos en niet bereid of in staat voor werk te verhuizen.
- frictiewerkloosheid
- Mensen zijn werkloos omdat het vaak een tijd duurt voordat een baan gevonden is (schoolverlaters). Ook kan het tijd kosten om van baan naar baan te gaan.
- seizoenwerkloosheid
- Werkloosheid die ontstaat doordat er in het ene seizoen meer werk is dan in het andere.
- minimumloon
- Het loon dat een werkgever, volgens de wet, minimaal moet uitbetalen.
- primaire arbeidsvoorwaarden
- Voorwaarden die betrekking hebben op de financiƫle beloningen zoals loon vakantiegeld en overwerktoeslagen.
- secundaire arbeidsvoorwaarden
- Voorwaarden die betrekking hebben op andere beloningen dan in geld zoals opleidingsmogelijkheden, kinderopvang en verlofregelingen.
- individuele arbeidsovereenkomst
- Overeenkomst over arbeidsvoorwaarden tussen een individuele werknemer en een werkgever.
- collectieve arbeidsovereenkomst (cao)
- Overeenkomst over arbeidsvoorwaarden tussen werknemersorganisaties (vakbonden) en een en of meerdere werkgevers of werkgeversorganisaties.