De werking van het oog
Publiek
Woorden in deze lijst (19)
Origineel
- Lenswerking van het oog
- Het buigen van lichtstralen in een andere richting wanneer ze door het hoornvlies, de ooglens en alle andere delen van het oog schijnen.
- Bolle lenzen
- Lenzen die in het midden dikker zijn dan aan de randen en de lichtstralen naar elkaar toe buigen.
- Convergeren
- Het naar elkaar toe buigen van lichtstralen door een bolle lens.
- Brandpunt (F)
- De plaats achter de lens waar de lichtstralen na breking bij elkaar komen.
- Holle lenzen
- Lenzen die in het midden dunner zijn dan aan de randen en het licht spreiden.
- Divergeren
- Het spreiden van licht door een holle lens.
- Voorwerpsafstand
- De afstand van het voorwerp tot de lens.
- Accommodatie
- Het boller of platter worden van de ooglens om scherp te stellen bij een andere voorwerpsafstand.
- Accommodatiereflex
- De reflex die de mate van samentrekking van de kringspieren in de straalvormige lichamen verandert als reactie op een onscherp beeld op het netvlies.
- Accommodatiespieren
- De kringspieren in de straalvormige lichamen die zorgen voor de accommodatie van de ooglens.
- Bijziend
- Toestand waarbij voorwerpen van dichtbij scherp worden gezien, maar voorwerpen van veraf niet.
- Verziend
- Toestand waarbij voorwerpen van veraf scherp worden gezien, maar voorwerpen van dichtbij niet.
- Pupilreflex
- Reflex die de hoeveelheid licht regelt die op het netvlies valt ter bescherming van de lichtreceptoren.
- Blinde vlek
- De plaats in het netvlies waar de uitlopers van de zenuwcellen via de oogzenuw het oog verlaten en waar geen lichtreceptoren voorkomen.
- Staafjes
- Lichtreceptoren met een lage prikkeldrempel die contrasten in zwart-grijs-wit waarnemen en een minder gedetailleerd beeld geven.
- Kegeltjes
- Lichtreceptoren met een hogere prikkeldrempel waarmee kleuren en scherpe details kunnen worden waargenomen.
- Gele vlek
- Het deel van het netvlies waarin vooral kegeltjes liggen en waarmee je het scherpst kunt zien.
- Optisch chiasma
- De gedeeltelijke kruising van de uitlopers in beide oogzenuwen net boven de hypothalamus.
- Stereoscopie
- Het zien van diepte door het vergelijken en verwerken van de beelden van beide ogen tot één beeld in de gezichtscentra.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–