Woordenlijst: 5.2. Werkloosheid
Publiek
Woorden in deze lijst (27)
Origineel
- Werkloosheid
- Werkloosheid is de situatie waarin mensen zitten die geen betaald werk hebben maar recent wel naar werk hebben gezocht en direct beschikbaar zijn.
- Effectieve vraag (EV)
- De effectieve vraag (EV) is de totale vraag naar alle goederen en diensten in een bepaald land, gemeten over een bepaalde periode.
- Keynes
- Keynes is één van de eerste macro-economen die de verandering van de effectieve vraag als verklaring zag voor schommelingen van het bruto binnenlands product (bbp) op korte termijn.
- Conjunctuur
- Korte termijn schommelingen van het bruto binnenlands product (bbp), die veroorzaakt worden door een toe- of afname van de effectieve vraag.
- Overheidsbestedingen
- De overheidsbestedingen (O) zijn gelijk aan de som van de overheidsconsumptie en de overheidsinvesteringen.
- Consumptie
- Consumptie is het kopen van goederen en diensten door huishoudens.
- Productiecapaciteit
- De productiecapaciteit is de maximale hoeveelheid goederen en diensten die geproduceerd kan worden door één bedrijf of een land in een bepaalde periode. Het wordt ook wel de potentiële productie genoemd.
- Laagconjunctuur
- Laagconjunctuur betekent dat er sprake is van een neergaande fase in de economie, waarbij er kans is op onderbesteding: de effectieve vraag is kleiner dan de productiecapaciteit.
- Hoogconjunctuur
- Hoogconjunctuur betekent dat er sprake is van een opgaande fase in de economie, waarbij er kans is op overbesteding: de effectieve vraag is groter dan de productiecapaciteit.
- Onderbesteding
- Onderbesteding is een conjuncturele situatie waarbij de effectieve vraag (EV) kleiner is dan de productiecapaciteit.
- Overbesteding
- Overbesteding is een conjuncturele situatie waarbij de effectieve vraag (EV) groter is dan de productiecapaciteit.
- Bestedingsevenwicht
- Bestedingsevenwicht is een situatie waarbij de effectieve vraag (EV) gelijk is aan de productiecapaciteit.
- Conjuncturele werkloosheid
- Conjuncturele werkloosheid is een vorm van werkloosheid die veroorzaakt wordt door een te lage effectieve vraag.
- Structurele werkloosheid
- Structurele werkloosheid is een vorm van werkloosheid die veroorzaakt wordt door veranderingen in de kwantiteit, kwaliteit en kosten van de productiefactoren (arbeid en kapitaal).
- Kwantitatieve structurele werkloosheid
- Kwantitatieve structurele werkloosheid is een vorm van structurele werkloosheid waarbij er werklozen zijn terwijl de productiecapaciteit volledig benut is.
- Kwalitatieve structurele werkloosheid
- Kwalitatieve structurele werkloosheid is een vorm van structurele werkloosheid waarbij er tegelijkertijd werklozen en vacatures zijn omdat er sprake is van een verkeerde /
onvoldoende opleiding of beperkte arbeidsmobiliteit. - Diepte-investering
- Er is sprake van een diepte-investering als een onderneming bij een investering voor een kapitaalintensievere techniek kiest.
- Beroepsbevolking
- De beroepsbevolking is het aanbod van arbeid: alle personen van 15 tot 75 jaar die betaald werk hebben (werkzamen), of die geen betaald werk hebben, recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (werklozen).
- Loonkosten per product
- De loonkosten per product zijn een belangrijke maatstaf voor de internationale concurrentiepositie van een land.
- Natuurlijke werkloosheid
- De natuurlijke werkloosheid is de structurele werkloosheid die resteert als de productiecapaciteit (of: potentiële productie) volledig is benut.
- Seizoenswerkloosheid
- Seizoenswerkloosheid is een vorm van structurele werkloosheid waarbij er in bepaalde delen van het jaar (extra) werklozen zijn omdat er op dat moment weinig vraag naar arbeid is. Denk bijvoorbeeld aan de land- en tuinbouw.
- Frictiewerkloosheid
- Frictiewerkloosheid is een vorm van structurele werkloosheid waarbij er werklozen zijn omdat het tijd kost om te solliciteren en omdat er sprake is van informatie-asymmetrie op de arbeidsmarkt (werkzoekenden hebben niet volledig zicht op alle vacatures).
- Indexcijfer
- Een indexcijfer is een verhoudingsgetal dat vaak door economen wordt gebruikt om de ontwikkeling of verdeling van een grootheid te analyseren.
- Internationale concurrentiepositie (ICP)
- De internationale concurrentiepositie (ICP) geeft aan in hoeverre goederen en diensten geproduceerd in een land op de wereldmarkt kunnen concurreren met goederen en diensten uit andere landen.
- Loonmatiging
- Bij loonmatiging stijgen de lonen minder dan de loonruimte waardoor de loonkosten per product dalen.
- Loonruimte
- De loonruimte is het percentage waarmee de lonen maximaal kunnen stijgen als gevolg van de inflatie en de stijging van de (reële) arbeidsproductiviteit.
- Arbeidsinkomensquote (AIQ)
- De arbeidsinkomensquote (AIQ) is gelijk aan de verhouding tussen het arbeidsinkomen en het totale inkomen. Oftewel: 'welk deel van het totale inkomen is de beloning voor de productiefactor arbeid?’.