Biologie Thema 7: Ecologie en milieu
Publiek
2
Woorden in deze lijst (55)
Origineel
- levensgemeenschap
- Alle populaties in een gebied.
- biotische factoren
- Invloeden afkomstig van de levende natuur.
- abiotische factoren
- Invloeden van de levenloze natuur. Al deze factoren in een bepaald gebied (ecosysteem) vormen samen de biotoop.
- ecosysteem
- Min of meer natuurlijk begrensd gebied (bijv. duingebied, stuk bos, sloot, heideveld) waarin een wisselwerking plaatsvindt tussen verschillende biotische en abiotische factoren.
- habitat
- Het leefgebied van een organisme binnen een ecosysteem. Hier vindt het organisme voedsel, bescherming en soortgenoten (biotische factoren). Abiotische factoren, zoals zuurstofgehalte, hoeveelheid licht en temperatuur bepalen of een gebied geschikt is als leefgebied voor een organisme.
- soortensamenstelling
- De verschillende soorten (planten, dieren, schimmels, prokaryoten) die in een gebied voorkomen. De abiotische factoren zijn van invloed hierop.
- humus
- Een mengsel van organische stoffen, anorganische stoffen en micro-organismen (bacteriën en schimmels) in de bodem. Verbetert de structuur van de bodem en gaat uitspoeling van mineralen tegen.
- verspreidingsgebied of areal
- Het gebied waar een soort op aarde voorkomt. (bijv. kangoeroes in Australië en ijsberen in het noordpoolgebied) Soorten met een grote tolerantie hebben een groot gebied.
- tolerantie
- Het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te verdragen.
- optimum
- De waarde van een abiotische factor die het gunstigst is voor het organisme.
- beperkende factor
- Factor die bepaalt of en hoeveel organismen van een soort in een gebied kunnen overleven. Bijv. temperatuur.
- concurrentie
- Competitie en strijd tussen organismen. Het gaat bijvoorbeeld om de beschikbare hoeveelheid voedsel, om een partner voor de voortplanting, om de beschikbare ruimte of om de beschikbare hoeveelheid licht (bij planten). Veel soorten bakenen daarom een territorium af. Deze competitie/
strijd is tussen populaties vaak minder sterk dan binnen populaties. Bij sterke competitie/ strijd is de selectiedruk groot. - natuurlijke selectie
- De organismen die het best zijn aangepast aan het milieu, hebben de grootste overlevingskans.
- coöperatie
- De samenwerking van organismen van een soort of van organismen van verschillende soorten. Dit is er op gericht om de overlevingskansen van de individuen van een populatie te vergroten.
- symbiose
- Langdurige samenleving van organismen van verschillende soorten. Dat kan voor elk van de betrokken organismen voordelig, neutraal of nadelig zijn. Er zijn 3 vormen hiervan: mutualisme (beide soorten hebben voordeel), commensalisme (ene organisme heeft voordeel, andere geen voordeel en geen nadeel) en parasitisme.
- mutualisme
- Langdurige samenleving waarbij beide soorten organismen voordeel hebben van de samenleving.
- commensalisme
- Langdurige samenleving waarbij het ene organisme voordeel heeft en het andere geen voordeel en geen nadeel.
- parasitisme
- Langdurige samenleving waarbij een organisme (een parasiet) leeft op of in een organisme van een ander soort (de gastheer) en onttrekt er voedsel aan. De parasiet heeft een voordeel. Voor de gastheer is deze samenleving nadelig.
- populatiedichtheid
- Het gemiddeld aantal individuen van een soort per oppervlakte-eenheid of per volume-eenheid.
- dynamiek
- Het schommelen van biotische factoren. Als de populatiedichtheid groter wordt, krijgen de factoren die een afname van de populatie veroorzaken meer invloed. En als de populatiedichtheid kleiner wordt, worden de factoren waardoor de populatie groeit belangrijker.
- biologisch evenwicht
- Het evenwicht van wanneer de soortensamenstelling door regulatie min of meer constant blijft over een langere tijd en de populatiedichtheid van de soorten binnen bepaalde grenzen blijft schommelen.
- exoot
- Soort die als gevolg van menselijk handelen terechtkomt in een gebied waar hij van oorsprong niet thuishoort.
- draagkracht
- De maximale populatiegrootte van de verschillende populaties die over langere tijd in een ecosysteem kunnen worden gehandhaafd. Na overschrijding van deze maximale populatiegrootte en het instorten van een populatie kan zich een nieuw biologisch evenwicht instellen.
- vraat
- Het eten van planten door dieren.
- voedselketen
- Een reeks soorten waarbij elke soort een voedselbron is voor de volgende soort. Dit geeft de voedselrelaties in een ecosysteem weer.
- energiestroom
- De pijlen in een voedselketen geven weer in welke richting energie en voedingsstoffen worden overgedragen.
- voedselweb
- Het geheel van voedselrelaties in een levensgemeenschap. In een ecosysteem lopen diverse voedselketens door elkaar heen.
- predatie
- Het eten van dieren.
- trofisch niveau
- Schakel in de voedselketen. De eerste bestaat uit autotrofe organismen, de tweede uit consumenten van de 1e orde, de derde uit consumenten van de 2e orde en de vierde uit de consumenten van de 3e orde.
- autotrofe organismen
- Organismen die organische stoffen uit anorganische stoffen kunnen maken. Zij produceren hun eigen voedsel en heten producenten. Zij behoren tot het eerste trofische niveau in een voedselketen. (planten)
- producenten
- Organismen die in staat zijn tot fotosynthese (koolstofassimilatie). Ze kunnen organische stoffen uit anorganische stoffen maken (autotroof) en ze leveren de organische stoffen waar het hele ecosysteem van leeft. Zij behoren tot het eerste trofische niveau in een voedselketen. (planten)
- assimilatie
- De opbouw van grote organische moleculen uit kleine (anorganische) moleculen. Hierbij wordt energie vastgelegd in de verbindingen. Door dit proces ontstaan de organische stoffen waaruit de cellen van een organisme bestaan.
- koolstofassimilatie
- (fotosynthese) Vorming van glucose uit koolstofdioxide en water. De benodigde energie is bij fotosynthese afkomstig van licht.
- voortgezette assimilatie
- Uit o.a. glucose worden koolhydraten, eiwitten, vetten en DNA gevormd.
- heterotrofe organismen
- Organismen die niet in staat zijn om organische stoffen uit alleen anorganische stoffen te vormen. (de meeste bacteriën, schimmels en dieren). Dit zijn de consumenten.
- consumenten
- Organismen die andere organismen als voedsel nodig hebben. Ze moeten organische stoffen uit hun voedsel opnemen (heterotroof). Dit zijn planteneters (herbivoren), vleeseters (carnivoren) en alleseters (omnivoren). Ze bevinden zich in de tweede en alle volgende schakels van voedselketens.
- reducenten
- Organismen (bacteriën en schimmels) die dood organisch materiaal afbreken tot anorganische stoffen. (koolstofdioxide, water, zouten)
- dissimilatie
- De afbraak van organische moleculen. De energie die hierbij vrijkomt kan weer worden gebruikt voor assimilatie.
- biomassa
- Het totale gewicht van alle organische stoffen. Kan worden weergegeven in een piramide.
- piramide van biomassa
- De biomassa per trofisch niveau.
- successie
- Het proces waarbij de soortensamenstelling in een gebied verandert en het ecosysteem geleidelijk overgaat in een ander ecosysteem.
- climaxecosysteem
- Het eindstadium van de successie. Wanneer de soortensamenstelling in een gebied na een bepaalde tijd niet meer verandert. Voorbeelden: tropische regenwouden, koraalriffen, duinen, loofbossen.
- pioniersoorten
- De eerste planten en dieren die zich vestigen op kale grond.
- pionierecosysteem
- Ecosysteem dat als eerste ontstaat in een onbegroeid gebied. De pioniersoorten vormen het beginstadium van de successie. In zo'n ecosysteem heersen er zeer ongunstige omstandigheden. Er komen dus maar weinig soorten voor. De biomassa is klein en het voedselweb is eenvoudig.
- primaire successie
- Successie op een bodem zonder humus. In gebieden waar erosie heeft plaatsgevonden, bevat de ondergrond vrijwel geen humus meer. De successie moet dan helemaal van voren af aan beginnen. Het kan tientallen jaren duren voordat zulke gebieden weer begroeid raken.
- secundaire successie
- Successie als er al een bodem met humus aanwezig is. Verloopt sneller dan primaire successie. De successie hoeft namelijk niet helemaal van voren af aan te beginnen.
- indicatorsoorten
- Soorten die een aanwijzing geven over een kenmerk van het milieu waarin ze voorkomen. Geeft aanwijzingen voor bijvoorbeeld de zuurgraad, het vochtgehalte, de voedselrijkdom, het zoutgehalte, de vervuiling en de biodiversiteit.
- erosie
- De bovenste laag van de bodem spoelt of waait weg.
- koolstofkringloop
- De kringloop van koolstof. Producenten nemen koolstofdioxide (CO2) op uit de lucht en produceren hiermee organische stoffen (koolstofassimilatie), consumenten nemen de organische stoffen van andere organismen op (voortgezette assimilatie) en breken een deel af (dissimilatie), reducenten breken organische resten af tot anorganische stoffen, waaronder CO2 (dissimilatie).
- stikstofkringloop
- De kringloop van stikstof.
- ammonificatie
- Rottingsbacteriën en urobacteriën breken de eiwitten in organisch afval en de afbraakproducten van eiwitten in urine af tot o.a. ammoniak.
- nitrificatie
- Nitrietbacteriën zetten ammoniak en ammoniumionen om in nitrietionen en nitraatbacteriën zetten nitrietionen om in nitraationen.
- aerobe bacteriën
- Bacteriën die actief zijn in een zuurstofrijke bodem; nitrificerende bacteriën.
- anaerobe bacteriën
- Bacteriën die actief zijn in een zuurstofarme bodem; denitrificerende bacteriën.
- stikstofbinding
- Stikstofbindende bacteriën zetten gasvormige stikstof om in ammoniak. Deze binding kan alleen plaatsvinden onder anaerobe omstandigheden.