Overal NaSk - 4 VMBO-GT - Hoofdstuk 10 - Krachten en constructies
Publiek
Woorden in deze lijst (19)
Origineel
- arm
- De afstand van een kracht tot het draaipunt.
- druk
- De kracht per oppervlakte eenheid, bijvoorbeeld N/
cm². - duwkracht
- Kracht die een voorwerp in elkaar drukt.
- evenwicht
- Een situatie die uit zichzelf niet verandert.
- hefboom
- Een lang voorwerp dat draait om een vast punt; dient om met een kleine kracht een grote kracht uit te oefenen.
- krachtenschaal
- Geeft de grootte van de kracht aan die bij een pijl met een lengte van 1 cm hoort.
- losse katrol
- Katrol om met behulp van een touw met minder kracht te hoeven trekken.
- massamiddelpunt
- Aangrijpingspunt van de zwaartekracht op een voorwerp.
- moment
- Het product van de kracht en de arm van de kracht.
- momentenwet
- Een hefboom is in evenwicht als het moment linksom gelijk is aan het moment rechtsom.
- nettokracht
- De kracht die overblijft als je alle krachten bij elkaar optelt en van elkaar aftrekt.
- resultante kracht
- Kracht die is samengesteld uit twee of meer krachten.
- takel
- Combinatie van een vaste en een losse katrol.
- trekkracht
- Kracht die een voorwerp uit elkaar trekt.
- vaste katrol
- Katrol om met behulp van een touw de richting van een kracht te veranderen.
- vector
- Een krachtpijl die een richting en een grootte heeft.
- werkkracht
- Kracht die een hefboom uitoefent op een voorwerp.
- zwaartekracht
- De kracht die de aarde op voorwerpen uitoefent.
- zwaartepunt
- Aangrijpingspunt van de zwaartekracht op een voorwerp.