Wonen in Nederland Watervraagstukken H1 H2
Publiek
0keer geoefend
Woorden in deze lijst (101)
Origineel
- Biesbosch
- Een natuurgebied en zoetwateropslag in Zuid-Holland, belangrijk voor waterbeheer.
- Deltawerken
- Een reeks constructies en projecten ontworpen om Nederland te beschermen tegen overstromingen.
- Noordwesterstorm
- Een storm die vanuit het noordwesten komt en een overstromingsrisico vormt voor de Zuidwestelijke Delta.
- Oosterscheldekering
- Een stormvloedkering die open en dicht kan, onderdeel van de Deltawerken.
- Watersnoodramp van 1953
- Een grote overstroming in Nederland veroorzaakt door een combinatie van een noordwesterstorm en springtij.
- Dijk
- Een verhoogde structuur om overstromingen te voorkomen en het landschap vast te leggen
- Kanaal
- Een kunstmatige waterweg die punten met elkaar verbindt en sedimentatie vermindert door harde oevers
- Overstroming
- Het buiten de oevers treden van een rivier, vaak met schade als gevolg
- Regulering
- Het beheersen van de waterstand en stroming van een rivier
- Sluis
- Een constructie om de waterstand te regelen en hoogteverschillen in rivieren en kanalen te overbruggen
- Stuw
- Een constructie om de waterstand te regelen, vooral bij lage waterstanden
- Afzettingsmilieu
- De omgeving waar sedimentatie plaatsvindt, beïnvloed door factoren zoals verval en klimaat.
- Laagland
- Een gebied dat laag ligt ten opzichte van de zeespiegel, vaak met sedimentatie als belangrijk proces.
- Sedimentgesteente
- Gesteente dat ontstaat door de ophoping en verharding van sediment.
- Adaptatie
- Aanpassing van landbouwmethoden of landgebruik om verzilting tegen te gaan.
- IJsselmeer
- Een groot zoetwatermeer in Nederland dat kan worden gebruikt voor drinkwatervoorziening en landbouw.
- Landdegradatie
- Verslechtering van de bodemkwaliteit, vaak door verzilting, waardoor landbouw moeilijker wordt.
- Polders
- Laaggelegen stukken land die door dijken worden beschermd tegen water.
- Zeewater
- Zout water afkomstig uit de zee dat het land kan binnendringen.
- Zuidwestelijke Delta
- Een gebied in Nederland waar dammen kunnen worden afgesloten om verzilting tegen te gaan.
- Erosie
- Het uitschuren van gesteente door water, wind of ijs.
- Sedimentatie
- Het neerkomen van verplaatst verweringsmateriaal, waarbij het zwaarste materiaal eerst neerkomt.
- Stroomgebied
- Het gebied waarbinnen al het regen- en smeltwater via zijrivieren naar een hoofdrivier stroomt.
- Verwering
- Het proces waarbij gesteente afbreekt door invloeden van het weer.
- Benedenloop
- Het deel van de rivier richting de monding, vaak met een laag verval en brede rivierbedding.
- Bovenloop
- Het deel van de rivier dicht bij de bron, vaak met een groot verval en hoge stroomsnelheid.
- Debiet
- De hoeveelheid water die een rivier afvoert op een bepaald punt.
- Gemengde rivier
- Een rivier die kenmerken heeft van zowel gletsjerrivieren als regenrivieren.
- Gletsjerrivier
- Een rivier die voornamelijk bestaat uit smeltwater en ontspringt in gebieden met gletsjers of eeuwige sneeuw.
- Lengteprofiel
- Het verloop van een rivier van bron tot monding, onderverdeeld in bovenloop, middenloop en benedenloop.
- Middenloop
- Het deel van de rivier tussen bovenloop en benedenloop, vaak met een breed profiel en variërende stroomsnelheid.
- Natuurlijke kenmerken van rivieren
- Eigenschappen van rivieren zoals lengteprofiel, dwarsprofiel, hoogteverschil, stroomsnelheid en waterafvoer.
- Regenrivier
- Een rivier die gevuld wordt door neerslag, inclusief zijrivieren en grondwater.
- Regime
- Het patroon van de waterafvoer in een rivier gedurende het jaar.
- Bolwerkvorming
- Het proces waarbij gebouwen aan de kust door erosie los komen te liggen van het land.
- Delta
- Een gebied waar een rivier in zee uitmondt en zich vertakt.
- Estuarium
- Een verbrede, trechtervormige riviermonding.
- Getijden
- De afwisseling van eb en vloed.
- Kustgebieden
- Gebieden langs de kust, zoals de Zeeuwse kust, Noord- en Zuid-Hollandse kust en de Waddenkust.
- Slufter
- Een gebied waar zeewater door de duinen het land binnen kan stromen.
- Springtij
- Een extra hoge vloed die eens per maand voorkomt.
- Wadden
- Gebieden die bij eb droogvallen en bij vloed onder water staan.
- Zandmotor
- Een methode waarbij zand voor de kust wordt aangebracht om door natuurlijke processen de kust te versterken.
- Zandsuppletie
- Het aanvullen van zand op het strand om kustafslag tegen te gaan.
- Adaptief deltamanagement
- Een benadering van waterbeheer die flexibel inspeelt op veranderingen en nieuwe inzichten.
- Delta programma
- Een jaarlijks programma dat maatregelen voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening beschrijft.
- Integraal
- Een aanpak waarbij alle betrokken partijen en belangen worden meegenomen.
- Overstromingsrisico's
- De kans op en de mogelijke gevolgen van overstromingen.
- Waterbeleid
- Beleid gericht op het beheer van waterbronnen, rekening houdend met veiligheid, economie en natuur.
- Watertoets
- Een instrument om bouwplannen te toetsen op waterveiligheid en waterkwaliteit.
- Absolute zeespiegelstijging
- De daadwerkelijke stijging van het zeeniveau, gemeten met instrumenten zoals satellieten.
- Bodeminklinking
- Het proces waarbij de bodem daalt doordat water uit de bodem verdwijnt, vaak door bemaling of droogte.
- Delfstofwinning
- Het winnen van grondstoffen zoals aardgas, wat kan leiden tot bodemdaling.
- NAP
- Normaal Amsterdams Peil, een referentiepunt voor hoogtemetingen in Nederland.
- Relatieve zeespiegelstijging
- De stijging van het zeeniveau ten opzichte van de dalende bodem.
- Harde oever
- Een door mensen gemaakte oever, vaak met materialen zoals beton of staal, die erosie voorkomt en de stroomsnelheid verhoogt.
- Intensief ruimtegebruik
- Het gebruik van land voor stedelijke ontwikkeling en landbouw, wat invloed heeft op de waterhuishouding.
- Overstromingsrisico
- De kans op overstromingen en de mogelijke gevolgen daarvan.
- Piekafvoer
- De maximale hoeveelheid water die een rivier afvoert na een regenbui.
- Regulering van rivieren
- Het aanpassen van rivieren door middel van kanalen, dijken, stuwen, sluizen en kribben om de waterstand te beheersen.
- Tegelswippen
- Het verwijderen van tegels uit tuinen om water in de grond te laten zakken en overstromingsrisico's te verminderen.
- Vertragingstijd
- De tijd die neerslag nodig heeft om in de grond te zakken en via het grondwater bij de rivier te komen.
- Zachte oever
- Een natuurlijke oever die kan veranderen door erosie en sedimentatie.
- Zeespiegelstijging
- De toename van het zeeniveau door smeltend ijs en uitzettend zeewater.
- Actualiteitsprincipe
- De aanname dat processen die in het verleden plaatsvonden ook in de toekomst zullen plaatsvinden.
- Albedo effect
- Het vermogen van een oppervlak om zonlicht te weerkaatsen.
- Broeikasgassen
- Gassen zoals kooldioxide, methaan en waterdamp die warmte vasthouden in de atmosfeer.
- Evapotranspiratie
- Het proces van verdamping van water uit de bodem en transpiratie van planten.
- IPCC
- Intergovernmental Panel on Climate Change, een organisatie die klimaatverandering onderzoekt.
- Kantelpunten
- Momenten waarop een klein verschil een grote verandering kan veroorzaken in het klimaatsysteem.
- Klimaatmodellen
- Wiskundige simulaties van het klimaat die worden gebruikt om toekomstige klimaatveranderingen te voorspellen.
- Natuurlijk broeikaseffect
- Het proces waarbij broeikasgassen van nature warmte vasthouden in de atmosfeer, waardoor leven op aarde mogelijk is.
- Negatieve terugkoppeling
- Een proces waarbij een verandering in een systeem een effect veroorzaakt dat die verandering tegengaat.
- Permafrost
- Permanente bevroren grond die broeikasgassen kan opslaan.
- Positieve terugkoppeling
- Een proces waarbij een verandering in een systeem een effect veroorzaakt dat die verandering verder versterkt.
- Scenario's
- Verschillende mogelijke toekomstbeelden gebaseerd op bepaalde aannames.
- Thermohaline circulatie
- Een oceaanstroming die wordt aangedreven door verschillen in temperatuur en zoutgehalte.
- Versterkt broeikaseffect
- De toename van het broeikaseffect door menselijke activiteiten, zoals de verbranding van fossiele brandstoffen.
- Afvoeren
- Water snel naar zee of verderop transporteren om overstromingen te voorkomen.
- Bergen
- Tijdelijk opslaan van water dat later terugkeert naar de rivier.
- Drietrapsstrategie
- Een waterbeheerstrategie bestaande uit vasthouden, bergen en afvoeren.
- Krib
- Een constructie in een rivier om de stroming te beïnvloeden.
- Nevengeul
- Een extra geul naast een rivier om water sneller af te voeren.
- Rivierbedverruiming
- Het verbreden of verdiepen van een rivier om meer water te kunnen bergen.
- Ruimte voor de rivier
- Een strategie om overstromingen te voorkomen door rivieren meer ruimte te geven.
- Uiterwaard
- Een gebied langs een rivier dat kan overstromen bij hoogwater.
- Vasthouden
- Waterbeheer door water op te slaan zodat het niet direct terugkeert naar de rivier.
- Biodiversiteit
- De variëteit aan plant- en diersoorten in een bepaald gebied.
- Bodemdaling
- Het zakken van het bodemoppervlak, vaak door wateronttrekking.
- Droogte
- Een langere periode met minder dan gemiddelde neerslag.
- Grondwaterstand
- Het niveau waarop het grondwater zich bevindt.
- Irrigatie
- Het kunstmatig bevloeien van land om gewassen te laten groeien.
- Klimaatverandering
- Langdurige veranderingen in temperatuur en weerpatronen.
- Kwelwater
- Water dat onder druk uit de bodem omhoog komt.
- Meanderen
- Het kronkelen van een rivier of beek door het landschap.
- Ontbossing
- Het verwijderen van bomen en bossen voor andere landgebruiken.
- Ruimte voor de Rivier
- Een programma om overstromingen te voorkomen door rivieren meer ruimte te geven.
- Strategische zoetwatervoorraad
- Opslag van zoetwater voor toekomstig gebruik, zoals in het IJsselmeer.
- Verstening
- Toename van bebouwd en geasfalteerd oppervlak, waardoor minder water in de grond kan zakken.
- Verzilting
- Toename van het zoutgehalte in de bodem of water.
- Watertekorten
- Situaties waarin de vraag naar water groter is dan het beschikbare aanbod.