De Geo - Leerboek - 1 VMBO-T/HAVO - begrippen H2
Publiek
Woorden in deze lijst (49)
Origineel
- alpenweide
- Hoogtegordel in de bergen met grassen, kruiden en lage struikjes (boven de boomgrens).
- atmosfeer
- De luchtlaag om de aarde.
- bevolkingsdichtheid
- Het gemiddelde aantal inwoners per vierkante kilometer (inw/
km²). - biodiversiteit
- Variatie aan levensvormen (bomen, planten en dieren) in de natuur.
- boomgrens
- Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan gemiddeld 10 °C in de zomer).
- breedteligging
- Hoe ver een plaats van de evenaar ligt, gemeten in breedtegraden.
- duurzaam(heid)
- Op zo’n manier omgaan met de aarde dat deze ook voor toekomstige generaties leefbaar is.
- eeuwige sneeuw
- Gebied waar altijd sneeuw ligt.
- etage
- Verdieping van een bepaalde plantengroei in het tropische regenwoud.
- evenaar
- Denkbeeldige lijn die de aardbol in twee helften verdeelt: het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond.
- gematigde zone
- Luchtstreek tussen de breedtecirkels van 23½ en 66½ ° N.B. en 23½ en 66½ ° Z.B. Gematigd wil zeggen: niet heel warm en niet heel koud.
- gletsjer
- Ijsmassa die langzaam in een dal naar beneden schuift.
- herbebossing
- Aanplant van jonge bomen na houtkap.
- hoge breedte
- De ligging van een plaats ver van de evenaar (hoger dan 60° N.B. en Z.B.).
- hooggebergte
- Berggebied met toppen die hoger zijn dan 1.500 m.
- hoogtegordel
- Zone van plantengroei in een gebergte.
- ingericht landschap
- Landschap waarin mensen huizen, wegen, akkers, weilanden en andere dingen hebben aangelegd.
- irrigatie
- Het kunstmatig nat houden van landbouwgronden.
- keerkring
- De breedtecirkel van 23½° N.B. (Kreeftskeerkring) en 23½° Z.B. (Steenbokskeerkring); grens van de tropen.
- klimaatdiagram
- Diagram met een overzicht van de gemiddelde temperatuur en de gemiddelde neerslag per maand in een plaats of een gebied.
- klimaatverandering
- Geleidelijke of abrupte verandering in het klimaat door natuurlijke processen en/
of invloed van de mens. - lage breedte
- De ligging van een plaats dicht bij de evenaar (lager dan 30° N.B. en Z.B.).
- landijs
- Een ijskapket van honderden tot duizenden meters dik dat al eeuwenlang op het land ligt.
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde zone (luchtstreek) waar loofbomen groeien, zoals eiken en beuken.
- luchtstreek
- Temperatuurzone op aarde: tropen, gematigde zone en poolstreken.
- naaldboomgordel
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook taiga.
- natuurlandschap
- Landschap dat niet door mensen is ingericht. Het is puur natuur.
- natuurlijke hulpbron
- Product uit de natuur dat mensen goed kunnen gebruiken.
- neerslag
- Water dat in vaste (sneeuw, hagel) of vloeibare (regen, mist) vorm uit de atmosfeer op aarde neerkomt.
- noordpoolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B.
- oase
- Plek in de woestijn waar water aan het oppervlak is.
- ontbossing
- Het kappen van bossen.
- oorspronkelijke plantengroei
- De natuurlijke plantengroei die ergens voorkomt.
- permafrost
- Altijd bevroren ondergrond.
- plantage
- Landbouwonderneming waar op grote schaal één product wordt verbouwd.
- poolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B. (noordpoolcirkel) en 66½° Z.B. (zuidpoolcirkel).
- poolstreek
- Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B. Heet ook polaire zone.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- rotsgordel
- Hoogtegordel waar door de kou en de harde ondergrond bijna geen planten meer groeien.
- savanne
- Natuurlandschap in de tropen met lange grassen, afgewisseld met groepjes bomen en struiken.
- steppe
- Natuurlandschap waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.
- stijgingsregen
- Regen bij de evenaar. Ontstaat doordat het aardoppervlak de lucht erboven opwarmt, waardoor die lucht gaat stijgen en hoger in de atmosfeer afkoelt en de waterdamp uit de lucht verandert in waterdruppels.
- taiga
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook naaldboomgordel.
- toendra
- Natuurlandschap in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struikjes.
- tropen
- Warme luchtstreek bij de evenaar tussen 23½° N.B. en 23½° Z.B. Heet ook tropische zone.
- tropisch regenwoud
- Natuurlandschap in de warme, vochtige tropen met dicht, ondoordringbaar bos.
- woestijn
- Natuurlandschap waar door droogte bijna niets groeit.
- zee-ijs
- Bevroren zeewater.
- zelfvoorzienende landbouw
- Landbouw waarbij mensen vooral voor eigen gebruik produceren.