2.1 Opkomst van nazi-Duitsland (1918-1945)
Publiek
Woorden in deze lijst (21)
Origineel
- antisemitisme
- Haat tegen en/
of discriminatie van Joden. - appeasementpolitiek
- De buitenlandse politiek van Groot-Brittannië en Frankrijk in de jaren 1930, die erop was gericht een oorlog met Duitsland te voorkomen door steeds toe te geven aan de wensen en eisen van Hitler. Letterlijk: ‘verzoeningspolitiek’.
- arbeidsdienst
- De gedwongen tewerkstelling van arbeiders uit de bezette gebieden in de Duitse oorlogsindustrie.
- beurskrach
- Massale en plotselinge ineenstorting van de koersen op een aandelenbeurs; in het bijzonder het inzakken van de beurs van New York in 1929, waardoor een wereldwijde economische crisis ontstond.
- communisme
- Stroming binnen het socialisme die het lot van de arbeidersklasse wil verbeteren door middel van een revolutie, die moet leiden tot een klasseloze samenleving en gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen.
- Dawesplan
- Plan (uit 1924) van een internationale commissie onder leiding van de Amerikaan Charles Dawes dat gericht was op verlichting van de Duitse herstelbetalingen aan de geallieerden. Volgens dit plan mocht Duitsland ook buitenlands geld lenen om zijn economische crisis te bestrijden.
- dolkstootlegende
- Complottheorie die de schuld voor het verlies van de Eerste Wereldoorlog bij de regering van de Republiek van Weimar neerlegde.
- geallieerden
- In de Eerste en Tweede Wereldoorlog: bondgenoten tegen Duitsland, vooral Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland/
de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. - herstelbetaling
- Een vergoeding (in geld of in goederen) voor geleden oorlogsschade.
- machtigingswet
- Een wet waarbij het parlement (een deel van) zijn bevoegdheden overdraagt aan de regering, zodat die zonder democratische controle een crisissituatie kan oplossen.
- nazificatie
- Het streven van de nationaalsocialisten om een vrije samenleving om te vormen tot een maatschappij die is gebaseerd op nationaalsocialistische beginselen, onder meer met behulp van propaganda.
- NSDAP
- Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij: Duitse nationalistische en racistische politieke partij die (van 1920 tot 1945) streefde naar verbetering van de toestand van het Duitse volk door middel van sterk politiek leiderschap, afschaffing van de vrijheid van meningsuiting en democratie en door maatschappelijke uitsluiting van bepaalde groepen, onder wie Joden.
- parlementaire democratie
- Politiek stelsel waarin een democratisch gekozen parlement de hoogste macht heeft.
- propaganda
- Politieke reclame om mensen te overtuigen van en te laten gehoorzamen aan de ideeën van een bepaalde persoon of partij.
- rechtsstaat
- Een staat waarin wetten de staatsmacht inperken en burgers verzekerd zijn van eerlijke rechtspraak, vrijheid van meningsuiting, vakbondsvrijheid en gelijkheid.
- Republiek van Weimar (ook: Weimarrepubliek)
- De Duitse democratische republiek die begon met de nieuwe grondwet (van 1919) en eindigde met de machtsovername door Adolf Hitler in 1933.
- Rijksdagbrand
- De brand die (in 1933) het Duitse parlementsgebouw in Berlijn verwoestte.
- totalitair regime
- Een regering die bijna de volledige controle heeft over het dagelijks leven van mensen in politiek, cultureel, godsdienstig, sociaal en economisch opzicht.
- Verdrag van Versailles
- Vredesverdrag van de Eerste Wereldoorlog, in 1919 gesloten tussen de geallieerden en Duitsland. In dat verdrag werd onder meer bepaald dat Duitsland grondgebied moest afstaan en herstelbetalingen aan de geallieerden moest doen.
- verzoeningspolitiek
- Buitenlands beleid van Duitsland (vanaf 1923) dat gericht was op herstel van de verhoudingen met de buurlanden.
- Volksgemeinschaft
- Onder nationaalsocialisten populaire aanduiding voor een ideale, harmonieuze en ‘raszuivere’ samenleving. Letterlijk: ‘volksgemeenschap’.