3. Arm en rijk
Publiek
Woorden in deze lijst (37)
Origineel
- absolute armoede
- Armoede waarbij mensen niet kunnen voorzien in hun basisbehoeften: voeding, onderdak, onderwijs en gezondheidszorg.
- analfabetisme
- Het percentage van de bevolking dat niet kan lezen en schrijven.
- armoedegrens
- Het inkomen dat iemand nodig heeft om te kunnen voorzien in de basisbehoeften.
- bruto binnenlands product (bbp)
- De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten in een land, gemeten over een jaar.
- bruto binnenlands product (bbp) per hoofd
- Het bruto binnenlands product gedeeld door het aantal inwoners in een land.
- Human Development Index (HDI)
- Een getal dat wordt gebruikt om de ontwikkeling van landen te meten.
- indicator
- Kenmerk waarmee je de ontwikkeling van een land kunt meten.
- levensverwachting
- Gemiddeld aantal jaren dat iemand bij zijn geboorte naar verwachting heeft te leven.
- relatieve armoede
- Armoede vergeleken met het gemiddelde inkomen van een land.
- welvaart
- Maatstaf die aangeeft of mensen gemiddeld voldoende geld hebben.
- welzijn
- Maatstaf die iets zegt over de kwaliteit van leven van mensen.
- centrum
- Rijke landen die heel hoog scoren op de HDI en een grote invloed in de wereld hebben.
- dekolonisatie
- Het proces waarbij koloniën zelfstandig worden van de koloniale macht.
- kolonialisme
- Het innemen van overzeese gebieden door Europese landen om er economisch of politiek beter van te worden.
- kolonie
- Een gebied of land dat onder dwang van een ander land bestuurd wordt.
- ontwikkelingslanden
- Arme landen met een lage score op de HDI.
- opkomende economieën
- Landen waarvan de economieën sneller groeien dan die van andere landen.
- periferie
- Arme landen met een lage score op de HDI.
- semiperiferie
- Landen die niet bij het centrum en de periferie horen.
- westerse landen
- Een groep rijke centrumlanden die bestaat uit: West-Europa, Verenigde Staten, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, Zuid-Korea en Israël.
- arbeidsintensief
- Productie waarbij vooral arbeiders nodig zijn.
- beroepsbevolking
- Alle mensen tussen 15 en 75 jaar die betaald werk hebben of zouden kunnen doen.
- commerciële landbouw
- Landbouw waarbij de producten voor de verkoop bestemd zijn.
- formele sector
- Alle geregistreerde banen waarover inkomstenbelasting wordt betaald.
- informele sector
- Werk waarvoor geen vergunning is afgegeven en waarover geen inkomstenbelasting wordt betaald. Van dit werk zijn geen gegevens bij de overheid bekend.
- kapitaalintensief
- Productie waarbij vooral geld (kapitaal) nodig is.
- primaire sector
- De economische sector die gericht is op het produceren van landbouwproducten en grondstoffen. Ook de mijnbouw en de visserij horen bij deze sector.
- secundaire sector
- De economische sector die gericht is op de productie van industriële goederen. Ook de bouw hoort bij deze sector.
- tertiaire sector
- De economische sector die gericht is op het leveren van diensten.
- zelfvoorzienende landbouw
- Landbouw waarbij mensen voedsel produceren voor eigen gebruik.
- bilaterale hulp
- (Ontwikkelings)hulp die rechtstreeks van land tot land wordt verstrekt.
- microkrediet
- Kleine lening aan ondernemers in arme landen, waarmee ze een bedrijfje kunnen opzetten of uitbreiden, zodat ze een beter inkomen krijgen.
- multilaterale hulp
- (Ontwikkelings)hulp waarbij meerdere landen hulp verlenen aan één of meer arme landen, vaak via hulporganisaties.
- niet-gouvernementele organisaties (ngo's)
- Hulporganisaties die onafhankelijk van overheden werken.
- noodhulp
- Hulp die bij een ramp wordt gegeven.
- ontwikkelingshulp
- Hulp van de rijke landen aan de arme landen om de levensomstandigheden blijvend te verbeteren.
- ontwikkelingssamenwerking
- Vorm van ontwikkelingshulp waarbij de gevende en ontvangende landen gelijkwaardig zijn en met elkaar samenwerken.