Frans chap.3 ABEF+ Zinnen CD
Publiek
12keer geoefend
Woorden in deze lijst (101)
Origineel
- le short de bain
- de zwembroek
- le pull
- de trui
- le T-shirt
- het T-shirt
- la robe
- de jurk
- le pantalon
- de broek
- l'anniversaire
- de verjaardag
- le copain
- de vriend
- la copine
- de vriendin
- le centre commercial
- het winkelcentrum
- le magasin
- de winkel
- l'hiver
- de winter
- acheter
- kopen
- essayer
- passen, proberen
- prendre
- nemen
- moche
- lelijk
- beau, belle
- mooi
- comme
- zoals
- et toi
- en jij
- bien sûr
- natuurlijk
- bientôt
- binnenkort
- on y va!
- laten we gaan!
- les baskets
- de gympen
- les chaussures
- de schoenen
- la rue
- de straat
- l'histoire
- de geschiedenis
- les ados
- de tieners
- la couleur
- de kleur
- l'objet
- het object
- porter
- dragen
- dépenser
- uitgeven
- appeler
- noemen
- célèbre
- beroemd
- accro
- verslaafd
- premier
- eerste
- né
- geboren
- blanc
- wit
- grand
- groot
- devant
- voor
- vraiment
- echt
- presque
- bijna
- plusieurs
- meerdere
- On va en ville, ce weekend?
- Gaan we dit weekend naar de stad?
- Oui, je voudrais acheter un nouveau jean.
- Ja, ik wil een nieuwe spijkerbroek kopen.
- Comment tu trouves ce jean bleu?
- Hoe vind je deze blauwe spijkerbroek?
- Pas mal.
- Niet slecht/
leuk. - Tu fais quelle taille?
- Wellke maat heb je?
- Du M.
- M.
- Il coute combien?
- Hoeveel kost het?
- 45 euros seulement.
- Slechts 45 euro.
- Ce n'est pas cher.
- Dat is niet duur.
- Tu veux l'acheter?
- Wil je het kopen?
- Oui, il est beau!
- Ja, hij is mooi!
- Non, il est trop petit.
- Nee, hij is te klein.
- faire les courses
- boodschappen doen
- finir
- afmaken
- décider
- besluiten
- j'ai perdu
- ik heb verloren
- un peu
- een beetje
- désolé
- sorry
- seul
- alleen
- gentil
- lief
- possible
- mogelijk
- ensemble
- samen
- moi aussi
- ik ook
- ne rien
- niets
- peut-être
- misschien
- le mois
- de maand
- le supermarché
- de supermarkt
- la pomme
- de appel
- le mec
- de gozer
- le livre
- het boek
- la BD
- het stripboek
- le jeu
- het spel
- la mode
- de mode
- l'exemple
- het voorbeeld
- la différence
- het verschil
- la chose
- het ding
- la blague
- de grap
- la marque
- het merk
- le jean
- het spijkerbroek
- la jupe
- de rok
- la chemise
- het overhemd
- le chapeau
- de hoed
- propre
- eigen
- terrible
- vreselijk
- original
- origineel
- noir
- zwart
- gris
- grijs
- moins
- minder
- assez
- genoeg
- ça dépend
- het hangt ervan af
- je veux
- ik wil
- utiliser
- gebruiken
- Qu'est-ce que tu veux acheter?
- Wat wil je kopen?
- Je cherche un cadeau pour Lucas.
- Ik zoek een cadeau voor Lucas.
- On va à Mode&Co?
- Gaan we naar Mode&Co?
- D'accord! On y va!
- Oké! Laten we gaan!
- Qu'est-ce qu'il aime?
- Waar houdt hij van?
- Il aime le sport et les jeux vidéos.
- Hij houdt van sport en videogames.
- Qu'est-ce que il aime porter?
- Wat vindt hij leuk om te dragen?
- Il porte souvent des baskets et une casquette.
- Hij draagt vaak gympen en een pet.