Praten over poëzie
Publiek
Woorden in deze lijst (25)
Origineel
- Alliteratie
- Beginrijm: twee of meer woorden beginnen met dezelfde medeklinker(s): kort—klein.
- Anafoor
- Stijlfiguur waarbij meerdere zinnen achter elkaar beginnen met dezelfde woorden.
- Analyse
- Systematische beschrijving van achtereenvolgens de vorm, het rijm, een eventuele vaste vorm, semantische velden, beeldspraak en stijlfiguren. De laatste stap van de analyse is het maken van een parafrase. Het maken van een analyse is geen doel op zich, maar een hulpmiddel om dieper in het gedicht door te dringen en om bijzonderheden op het spoor te komen. Je kunt bijvoorbeeld merken dat je analyse van de vorm en inhoud niets meer oplevert dan de constatering dat het gedicht bestaat uit vijftien regels, geen vaste vorm heeft en niet rijmt. Je moet deze stap van analyse echter wel uitvoeren,…
- Antithese
- Tegenstelling.
- Assonantie
- Klinkerrijm: twee of meer woorden hebben dezelfde door de klinker(s) aangeduide klank, bijvoorbeeld: jou—flauw.
- Beeldspraak
- Vorm van figuurlijk taalgebruik waarbij iets wordt vergeleken met iets anders. Soorten beeldspraak die veel voorkomen in gedichten zijn: • vergelijking: iets (het object) wordt vergeleken met iets anders (het beeld); • metafoor: vergelijking waarin het object wordt weggelaten; • personificatie: een menselijke eigenschap wordt toegekend aan iets wat niet menselijk is.
- Binnenrijm
- Twee of meer woorden binnen dezelfde versregel rijmen op elkaar. Bijvoorbeeld: Je kust me, je sust me (Maaike Ouboter, ‘Dat ik je mis’).
- Eindrijm
- Twee of meer woorden aan het eind van een versregel rijmen op elkaar. Als zowel de klinkers als de medeklinkers rijmen, is er sprake van volrijm. Als alleen de klinkers (of de medeklinkers) rijmen, is er sprake van halfrijm: bijvoorbeeld: lief—diep; negen—gedreven.
- Enjambement
- Het afbreken van een zin op een grammatical onlogische plaats. Enjambementen vestigen de nadruk op bepaalde woorden die aan het begin of eind van een versregel staan. Als je een gedicht voorleest, moet je in één keer doorlezen naar de volgende regel. Bijvoorbeeld: ‘Aan hun geluk te zien kon ik nog niet /
geboren zijn’ (Hagar Peeters, ‘Vannacht kwam ik mijn ouders tegen’). Hier lees je door bij ‘niet/ geboren’ in plaats van dat je er pauzeert, zoals je zou doen bij versregels, zonder enjambement. - Enumeratie
- (Lange) opsomming van meer dan drie begrippen.
- Figuurlijk taalgebruik
- Alle vormen van taalgebruik waarbij iets anders wordt bedoeld dan er letterlijk staat.
- Interpreteren
- Het toekennen van betekenis aan een gedicht; uitleggen waarover een gedicht gaat. Interpreteren doe je nadat je een analyse hebt gemaakt.
- Middenrijm
- Rijm in het midden van twee of meer versregels. Bijvoorbeeld: die eerste juffrouw, weet je wel /
die valse ouwe mademoiselle (Vasalis, ‘Is het vandaag of gist'ren’). - Paradox
- Schijnbare tegenstelling.
- Parafraseren
- Navertellen in je eigen woorden.
- Poëzie
- Verzamelnaam voor gedichten, waartoe je ook liedteksten kunt rekenen. Eén kenmerk dat kenmerkend is voor alle poëzie is een bijzondere typografie.
- Regels en zinnen
- Zinnen beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt; regels bestaan uit alle woorden die op één regel (dus naast elkaar) staan.
- Repetitio
- Herhaling.
- Rijmschema
- Schematische weergave van het eindrijm van een gedicht. Je maakt een rijmschema door de rijmwoorden aan het einde van de versregels dezelfde letter te geven, bijvoorbeeld: • aaaa; slagrijm: alle regels eindigen op dezelfde klank; • aabb; gepaard rijm: twee opeenvolgende regels rijmen, waarna er weer twee regels volgen die op elkaar rijmen. Elke nieuwe klank geef je een nieuwe letter; • abba; omarmend rijm: de rijmwoorden in regel 1 en 4 ‘omarmen’ het rijmpaar in regel 2 en 3; • abab; gekruist rijm: regel 1 en 3 rijmen, evenals regel 2 en 4; • abcb of abac; gebroken rijm: een afwijking van…
- Semantisch veld
- Begrippen die op grond van hun betekenis of associatie met elkaar verbonden zijn. Die verbinding van betekenissen is niet vaststaand, maar wordt, binnen een bepaalde context, gemaakt door de lezer. ‘IJs’ kan bijvoorbeeld deel uitmaken van een semantisch veld ‘winter’, maar (in een andere context) ook van ‘zomer’.
- Sonnet
- Gedicht dat bestaat uit veertien regels die meestal verdeeld zijn over vier strofen. Italiaanse sonnetten beginnen met twee kwatrijnen (samen het octaaf), die worden gevolgd door twee terzinen (samen het sextet). Tussen het octaaf en het sextet zit meestal een wending: een tegenstelling of een omslag in het gevoel. Engelse sonnetten bestaan uit drie kwatrijnen, die worden gevolgd door een distichon. Het distichon fungeert vaak als pointe, een soort conclusie.
- Stijlfiguur
- Vorm van taalgebruik die de aandacht vestigt op bepaalde aspecten van de inhoud van een tekst. Veelvoorkomende stijlmiddelen in gedichten zijn: • enumeratie: (lange) opsomming van meer dan drie begrippen; • repetitio: herhaling; een woord of woordgroep wordt meerdere keren herhaald; • anafoor: meerdere zinnen achter elkaar beginnen met dezelfde woorden; • antithese: tegenstelling; twee tegengestelde begrippen worden naast elkaar geplaatst; • paradox: schijnbare tegenstelling.
- Strofe
- Een strofe is opgebouwd uit een aantal regels en wordt door witregels gescheiden van andere strofen. Verschillende soorten strofen hebben verschillende namen, die iets zeggen over het aantal regels waaruit de strofen bestaan: • 2 regels: distichon • 3 regels: terzine • 4 regels: kwatrijn • 5 regels: kwintet • 6 regels: sextet • 7 regels: septet • 8 regels: octaaf
- Typografie
- Vormgeving van een tekst. Daaronder vallen afmeting en kleur van de letters, de verdeling van de tekst over de pagina, het wit om de tekst heen etc.
- Vaste vorm
- Gedichten met een vaste vorm hebben bepaalde vaststaande vormkenmerken. Een limerick bestaat bijvoorbeeld uit vijf regels en heeft het rijmschema aabba. Een haiku bestaat uit drie regels van achtereenvolgens vijf, zeven en vijf lettergrepen. Een vaste vorm die heel veel voorkomt, is het sonnet.