6. Landschap in je eigen omgeving
Publiek
Woorden in deze lijst (71)
Origineel
- aanslibbingskust
- Kust waarbij de afzetting van materiaal overheerst.
- basisveen
- Veen dat aan de basis ligt van de Holocene afzettingen in Nederland.
- biodiversiteit
- Variatie aan levensvormen in de natuur.
- bio-industrie
- Andere naam voor intensieve veeteelt, omdat het dier een ‘machine’ is en de stal de ‘fabriek’.
- bodem
- De voor de plantengroei belangrijke bovenste laag van de aardkorst (tot ongeveer 1 m).
- bodemerosie
- Het verdwijnen van de bovenste vruchtbare bodemlaag door water en/
of wind. - bodemprofiel
- Verticale doorsnede van de bodem die de opeenvolging van verschillende lagen (of horizonten) laat zien.
- dekzand
- Afzetting van zand door de wind in de laatste ijstijd.
- diepte-erosie
- Uitschurende werking van een rivier, waardoor zich een V-dal vormt.
- droogmakerij
- Meren, plassen en delen van de zee die zijn drooggelegd.
- duin
- Een door de wind opgeworpen heuvel van zand.
- esdorp
- Dorp met bij elkaar liggende akkers op de geest van hoog en laag.
- gemengd bedrijf
- Landbouwbedrijf met zowel akkerbouw als veeteelt.
- geologische tijdschaal
- De indeling van de geschiedenis van de aarde in geologische tijdperken.
- getij
- De dagelijkse beweging van opkomend water (vloed) en afgaand water (eb).
- glaciaal
- Koude periode waarin de gemiddelde temperatuur op aarde een paar graden daalt en waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen. Heet ook ijstijd.
- glaciale landschapsvorm
- Vorm in het landschap die is ontstaan door landijs (gletsjers).
- gletsjer
- Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
- graft
- Evenwijdig aan de hoogtelijnen gelegen steile rand of ‘knik’ begroei met bomen en struiken om bodemerosie tegen te gaan.
- grondmorene
- Sediment dat onder het ijs ligt en dat achterblijft als de gletsjer smelt.
- grondsoort
- Het losse materiaal aan de oppervlakte van de aardkorst.
- grondwaterpeil
- Bovenkant van het grondwater.
- heuveland
- Gebied met een hoogte ligging tussen 200 en 500 m.
- Hollandveen
- Veen dat is ontstaan door verlanding van open water en moerassen. Het ligt in delen van West-Nederland aan de oppervlakte.
- Holoceen
- Geologisch tijdvak vanaf 12.000 jaar geleden tot nu.
- hoogtelijn
- Lijn op een kaart die punten met dezelfde hoogte ligging met elkaar verbindt.
- ijstijd
- Zie glaciaal.
- inklinking
- Het inzakken van een klei- of veenbodem door ontwatering.
- insnijding
- Het dieper worden van een dal door de uitschurende werking van een beek of rivier.
- intensieve veeteelt
- Veeteelt met inzet van veel kapitaal en kennis per dier om een hoge opbrengst te halen. Heet ook bio-industrie.
- intensivering
- De productie per hectare of per dier vergroten met machines, kunstmest, bestrijdingsmiddelen en beter zaai- of pootgoed.
- interglaciaal
- Warmere periode tussen twee ijstijden (glacialen) in.
- jonge duinen
- Duinen die vanaf ongeveer het jaar 800 n.Chr. zijn gevormd.
- jonge zeeklei
- Zeeklei die is afgezet in gebieden die sinds ongeveer het jaar 500 v.Chr. door de zee zijn overstroomd.
- keileem
- Grondmorene bestaande uit een mengsel van keien, grind, zand en leem.
- keileemkop
- Door het landijs opgestuwde heuvel van keileem.
- klei
- Grondsoort met een fijne korrelgrootte (kleiner dan 0,002 mm).
- kwelder
- Een begroeid stuk land dat direct aan zee grenst en alleen bij hoge vloed overstroomt.
- landijs
- Laag eeuwige sneeuw op het land die tot ijs is samengeperst.
- landschap
- Alles wat je ziet als je vanuit een bepaald punt naar een gebied kijkt.
- löss
- Afzetting van fijne deeltjes door de wind in de laatste ijstijd. De korrelgrootte zit tussen die van zand en klei in.
- middelgebergte
- Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.
- opheffing
- Het langzaam omhoogkomen van gebieden door endogene krachten.
- oude duinen
- Duinen die vanaf ongeveer 6.000 jaar geleden tot ongeveer het jaar 800 n.Chr. zijn gevormd.
- oude zeeklei
- Afzettingen van (zand en) klei in het waddengebied achter de oude duinen.
- Pleistoceen
- Geologisch tijdvak vanaf 2,5 miljoen jaar tot 12.000 jaar geleden.
- polder
- Gebied waar de waterstand kunstmatig wordt beheerd.
- puinwaaier
- Waaier vormige afzetting die zich vormt als de stroomsnelheid van een rivier sterk vermindert.
- regiem
- Schommelingen in de waterafvoer van een rivier (in de loop van een jaar).
- regressie
- Periode waarin de invloed van de zee afneemt.
- relatieve zeespiegelstijging
- De combinatie van de absolute zeespiegelstijging en het effect van de bodemdaling.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- schaalvergroting
- Productie in steeds grotere eenheden (in de landbouw: meer dieren of gewassen) om op die manier de productiekosten te verlagen en de opbrengsten te verhogen.
- specialiseren/
specialisatie - Zich binnen een bedrijf of gebied steeds meer toeleggen op één activiteit of product. In de landbouw: de keuze voor het verbouwen van één gewas of het houden van één diersoort.
- strandwal
- Zandbank die door de branding is opgeworpen en boven zeeniveau ligt.
- stuwwal
- Door landijs opgestuwde heuvel.
- terp
- Kunstmatige heuvel die door de bewoners zelf is opgeworpen met grond en afval.
- tongbekken
- Door het landijs uitgediept rivierdal.
- transgressie
- Periode waarin de invloed van de zee toeneemt.
- veen
- Grondsoort die bestaat uit vergane plantenresten.
- veenontginning
- Ontgonnen veenlandschap met een strokenverkaveling.
- veenoxidatie
- Het verteren van plantenresten door de aanwezigheid van zuurstof in ontwaterd veen.
- verhang
- Het verval per kilometer.
- verkaveling
- De manier waarop land in stukken is verdeeld.
- verlanding
- Het dichtgroeien van open water als gevolg van veenontwikkeling in ondiep water.
- vermesting
- Het verrijken van de bodem met voedingsstoffen.
- verval
- Hoogteverschil tussen twee plaatsen aan een rivier.
- vlechtende rivier
- Snelstromende rivier met veel ondiepe waterlopen.
- waterkringloop (kort en lang)
- De voortdurende verplaatsing van water over de aarde. Korte kringloop: van zee terug naar zee. Lange kringloop: van zee via land terug naar zee.
- zand
- Grondsoort met een grove korrelgrootte (0,06 tot 2 mm).
- zeekleipolder
- Polder die is ontstaan door het bedijken van een kwelder.