Hoofdstuk 1: Inleiding in de biologie
Publiek
1
Woorden in deze lijst (66)
Origineel
- stofwisseling
- alle chemische reacties in een organisme
- populatie
- groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leeft en zich onderling voortplant
- systeem aarde
- geheel aan ecosystemen op aarde, ook biosfeer genoemd
- DNA
- molecuul dat erfelijke informatie van een organisme bevat
- levensgemeenschap
- alle verschillende populaties die in een gebied samenleven
- organismen
- levende wezens zoals planten, dieren, schimmels en bacteriën
- emergente eigenschap
- als er op hoger organisatieniveau een nieuwe eigenschap ontstaat die er op het lagere organisatieniveau niet is
- weefsel
- een groep van een of meer verschillende celtypen die een gemeenschappelijke functie hebben
- orgaanstelsel
- aantal organen dat samen een bepaalde functie uitoefent
- ecosysteem
- min of meer begrensd gebied met bepaalde eigenschappen; zowel de levende als de niet-levende natuur in dat gebied maakt deel uit van het ecosysteem
- soort
- organismen die zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen voortbrengen
- cel
- een grotere biologische eenheid en een hoger organisatieniveau dan een molecuul; alle organismen bestaan uit een of meer cellen
- orgaan
- deel van een organisme met een specifieke bouw en functie
- organisme
- levend wezen dat uit één of meer cellen bestaat
- levenscyclus
- alle individuen van een soort doorlopen tijdens hun levensloop dezelfde fasen of stadia
- organellen
- onderdelen van een cel met een bepaalde functie
- tussencelstof
- bij veel weefsels liggen de cellen niet direct tegen elkaar aan, maar komt tussencelstof voor; het soort tussencelstof hangt samen met de functie van het weefsel
- celwand
- stevig laagje om een plantaardige cel heen dat niet tot de cel behoort
- plastiden
- organellen in plantaardige cellen waarvan verschillende typen bestaan; chloroplasten, chromo-plasten en leukoplasten
- grondplasma
- bestanddeel van het cytoplasma dat bestaat uit water en opgeloste stoffen
- celmembraan
- buitenste laag van een cel die het inwendige van de cel, het cytoplasma, scheidt van het milieu buiten de cel
- chlorofyl
- groene kleurstoffen in chloroplasten
- celplasma
- inhoud van de cel bestaat uit het grondplasma met daarin allerlei organellen, ook cytoplasma genoemd
- cytoplasma
- inhoud van de cel die bestaat uit het grondplasma met daarin allerlei organellen, ook celplasma genoemd
- vacuole
- blaasje gevuld met vacuolevocht in het cytoplasma; veel plantaardige cellen bevatten een grote centrale vacuole
- celkern
- organel omsloten door de kernmembraan in het cytoplasma dat DNA bevat
- chloroplasten
- plastiden die groene kleurstoffen bevatten, ook bladgroenkorrels genoemd
- semipermeabel
- selectief permeabel membraan; een membraan waar kleine moleculen wel doorheen kunnen maar grote moleculen niet
- hypertoon
- oplossing waarvan de osmotische waarde hoger is dan de osmotische waarde van het cytoplasma in een cel
- actief transport
- transport van stoffen door een membraan via membraaneiwitten waarvoor energie nodig is, transport vindt plaats tegen het concentratieverval in
- permeabel
- doorlatend membraan, wanneer moleculen kleiner zijn dan de poriën in het membraan kunnen ze er doorheen en kan diffusie optreden
- osmotische waarde
- de osmotische waarde van een oplossing wordt bepaald door het aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid
- diffusie
- verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie van die stof
- turgor
- door de opname van water ontstaat druk op de celwand in een plantencel die ervoor zorgt dat de plantencel stevig is
- ionentransport
- transport door een membraan van ionen zoals Na+, K+ en Ca+
- selectief permeabel
- semipermeabel membraan; een membraan waar kleine moleculen wel doorheen kunnen maar grote moleculen niet
- hypotoon
- oplossing waarvan de osmotische waarde lager is dan de osmotische waarde van het cytoplasma in een cel
- isotoon
- oplossing waarvan de osmotische waarde gelijk is aan de osmotische waarde van het cytoplasma in een cel
- passief transport
- transport van stoffen door een membraan waarvoor geen energie nodig is, transport vindt plaats met het concentratieverval mee
- osmose
- diffusie van watermoleculen door een semipermeabel membraan van de plaats met de hoogste concentratie watermoleculen naar de plaats met de laagste concentratie watermoleculen
- osmotische druk
- aanzuigkracht die de oplossing met de hoogste osmotische waarde uitoefent op de andere oplossing en die wordt bepaald door de concentratie van deeltjes die niet door het semi-permeabel membraan heen kunnen
- transporteiwitten
- eiwitten die specifieke moleculen kunnen binden en transporteren door het membraan
- plasmolyse
- wanneer een plantaardige cel stevigheid verliest doordat er zoveel water de cel uit gaat dat het celmembraan loslaat van de celwand
- betrouwbaarheid
- de resultaten zijn op een objectieve manier zijn verkregen en herhaling van het onderzoek is mogelijk
- validiteit
- de resultaten geven ook echt antwoord op de onderzoeksvraag
- membraaneiwitten
- eiwitten in het celmembraan; spelen vaak een rol bij het transporteren van stoffen uit de cel
- endoplasmatisch reticulum
- uitgebreid netwerk van dubbele membranen in het cytoplasma dat is aangesloten op het kernmembraan
- ATP (adenosinetrifosfaat)
- moleculen die worden gemaakt in de mitochondriën en de belangrijkste energieleverancier zijn voor processen in de cel
- kernlichaampje
- plaats in het kernplasma waar delen van ribosomen worden gemaakt
- ciliën
- organellen die behoren tot het cytoskelet; kunnen signalen uit de omgeving waarnemen en doorgeven aan de cel en hebben een functie bij de voortbeweging
- fosfolipiden
- een fosfolipidemolecuul is een vetachtige stof die aan een kant bestaat uit een fosfaatgroep die in water oplosbaar is en aan de andere kant twee lange vetzuurmoleculen heeft die waterafstotend zijn
- enzymen
- eiwitten die stoffen kunnen afbreken
- mitochondriën
- bolvormige organellen met dubbele membranen waarin met behulp van zuurstof energie wordt vrijgemaakt die tijdelijk is opgeslagen in ATP
- motoreiwitten
- eiwitten die zich verplaatsen langs het cytoskelet en daarbij blaasjes en eiwitten transporteren
- flagel
- zweephaar waarmee cellen zich kunnen voortbewegen
- erfelijke eigenschappen
- informatie die de bouw en functie van een cel bepaalt
- cytoskelet
- netwerk van eiwitvezels binnen in cellen dat er voor zorgt dat de cel zijn vorm behoudt en dat organellen op hun plaats blijven en dat een cel van vorm kan veranderen of zich kan verplaatsen
- kernporie
- opening met eiwitten die het transport van stoffen in en uit de kern kan regelen
- ribosomen
- kleine bolvormige organellen die eiwitten produceren met behulp van de informatie die is vastgelegd in het DNA
- golgisysteem
- opeengestapelde platte membranen in het cytoplasma waarin eiwitten worden bewerkt totdat ze hun definitieve vorm hebben
- endocytose
- het afsnoeren van blaasjes door het celmembraan om stoffen in de cel op te nemen
- exocytose
- afsnoeren van blaasjes door het celmembraan om stoffen naar buiten de cel te transporteren
- receptoreiwitten
- eiwitten met daaraan koolhydraatketens; spelen een rol bij de herkenning van een cel door eiwitten in het membraan van andere cellen
- chromosomen
- lange moleculen DNA die random eiwitten zijn gewikkeld
- ruw endoplasmatisch reticulum
- endoplasmatisch reticulum waarbij zich ribosomen op de membranen bevinden
- lysosoom
- afgesnoerde blaasjes van het golgisysteem met eiwitten die in de cel blijven; na versmelting met een ander blaasje, kunnen de enzymen de eiwitten in dit blaasje verteren