Afweer
Publiek
Woorden in deze lijst (32)
Origineel
- Immuunsysteem
- Het systeem dat wordt geactiveerd wanneer ziekteverwekkers of schadelijke stoffen in het interne milieu binnendringen.
- Aangeboren afweer
- Een snelle eerste afweer tegen infectie die gericht is tegen vele verschillende typen ziekteverwekkers en voorkomt bij alle dieren en planten.
- Verworven afweer
- Het deel van het immuunsysteem dat gedurende het leven wordt ontwikkeld, gericht is tegen één type ziekteverwekker en alleen bij gewervelde dieren voorkomt.
- Lymfoïde organen
- Organen die een functie hebben bij de opslag en het transport van witte bloedcellen, bestaande uit het beenmerg, de thymus, de milt en de lymfeknopen.
- Fagocyten
- Typen witte bloedcellen die onderdeel uitmaken van de aangeboren afweer en lichaamsvreemde virussen en bacteriën herkennen en bestrijden.
- Lymfocyten
- Typen witte bloedcellen die horen bij de verworven afweer.
- Granulocyten
- Fagocyten die snel reageren op binnendringende ziekteverwekkers en deze onschadelijk maken door ze te fagocyteren.
- Monocyten
- Witte bloedcellen die zich kunnen ontwikkelen tot macrofagen of dendritische cellen.
- Macrofagen
- Grote fagocyterende cellen die zich door het hele lichaam verplaatsen en meerdere ziekteverwekkers kunnen vernietigen doordat ze na fagocytose niet te gronde gaan.
- Dendritische cellen
- Fagocyterende cellen die vooral voorkomen op plaatsen waar ziekteverwekkers kunnen binnendringen, zoals in de huid en de slijmvliezen.
- Cytokinen
- Eiwitten met een regulerende functie die door macrofagen worden uitgescheiden en onder andere de normwaarde voor de lichaamstemperatuur kunnen verhogen.
- Mediatoren
- Een groep eiwitten met een regulerende functie waartoe ook de cytokinen behoren.
- Antibioticum
- Een medicijn dat bacteriële infecties bestrijdt maar niet werkt tegen virussen.
- Antigeen
- Een molecuul, vaak een eiwit, dat het immuunsysteem kan activeren.
- Antigeen-presenterende cel (APC)
- Een cel die antigenen van een ziekteverwekker naar de buitenkant van het celmembraan transporteert om deze aan lymfocyten te tonen.
- T-lymfocyten
- Lymfocyten die zich na hun ontstaan in het beenmerg verder ontwikkelen in de thymus.
- B-lymfocyten
- Lymfocyten die in het beenmerg blijven om te rijpen.
- Receptoreiwit
- Eiwit op het celmembraan van een lymfocyt dat specifiek bindt met het antigeen van één type ziekteverwekker.
- MHC (Major Histocompatibility Complex)
- Een deel van het genoom dat codeert voor eiwitten die een rol spelen bij de herkenning van lichaamseigen en lichaamsvreemde cellen en stoffen.
- MHC-I-receptoren
- Receptoren op de buitenkant van alle cellen met een celkern die aminozuren van elk in de cel gemaakt eiwit presenteren voor herkenning.
- MHC-II-receptoren
- Receptoren die alleen voorkomen op macrofagen, dendritische cellen en geactiveerde B-cellen om antigenen van gefagocyteerde ziekteverwekkers te presenteren.
- T-helpercellen (Th-cellen)
- Geactiveerde T-lymfocyten die andere cellen van het immuunsysteem activeren, waaronder B-lymfocyten en cytotoxische T-cellen.
- Koppelingseiwitten
- Eiwitten zoals CD4 en CD8 die worden gebruikt door T-cellen om een sterkere binding aan te gaan met een antigeen-presenterende cel.
- Cytotoxische T-cellen (Tc-cellen)
- T-cellen die geïnfecteerde lichaamscellen opruimen door ze te herkennen aan het virusantigeen op het MHC-I-receptoreiwit.
- T-geheugencellen
- Langlevende Th- en Tc-cellen die bij een volgende infectie het antigeen direct herkennen en zorgen voor een snellere afweerreactie.
- Cellulaire respons
- De vorm van afweer waarbij geïnfecteerde cellen en tumorcellen worden opgeruimd door T-cellen.
- B-plasmacellen
- Geactiveerde B-lymfocyten die specifieke antistoffen afscheiden die zich binden aan de antigenen van de ziekteverwekker.
- B-geheugencellen
- Cellen die bij een nieuwe infectie met dezelfde ziekteverwekker het antigeen direct herkennen en zich snel tot plasmacellen ontwikkelen.
- Antistoffen (immunoglobulinen)
- Eiwitten die zich binden aan antigenen om deze af te dekken, cellen aan te tasten of fagocytose te bevorderen.
- Antigeen-antistofcomplex
- De koppeling van een antigeenmolecuul en een specifiek daarop passend antistofmolecuul.
- Humorale respons
- De afweer door antistoffen in de lichaamsvochten, gericht tegen ziekteverwekkers die zich buiten de cellen bevinden.
- Immuun
- Toestand waarbij je na een eerdere infectie door de werking van geheugencellen meestal niet meer ziek wordt van dezelfde ziekteverwekker.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–