Fenotype en genotype
Publiek
Woorden in deze lijst (18)
Origineel
- Fenotype
- Alle waarneembare eigenschappen van een individu.
- Genotype
- De informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een individu.
- Chromosomen
- Draden in de celkern die de informatie voor erfelijke eigenschappen bevatten.
- Karyotype
- Een overzicht van de chromosomen in een cel, waarbij ze in paren zijn gerangschikt naar grootte.
- Autosomen
- Chromosomenparen in een lichaamscel die niet tot de geslachtschromosomen behoren.
- Geslachtschromosomen
- Het 23e chromosomenpaar waarmee het geslacht van een individu kan worden bepaald (XX of XY).
- Homologe chromosomen
- Twee chromosomen van een paar die gelijk zijn in lengte en vorm.
- Gen
- Een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een of meer erfelijke eigenschappen.
- Nucleotide
- Bouwsteen van DNA die bestaat uit een fosfaatgroep, een monosacharide en een stikstofbase.
- Basenparing
- De vaste verbinding tussen stikstofbasen in DNA waarbij adenine met thymine is verbonden en cytosine met guanine.
- Genoom
- Alle DNA-moleculen in een cel.
- DNA-sequentie
- De specifieke volgorde waarin nucleotiden in een gen zijn gerangschikt.
- Allel
- Een variatie in de nucleotidenvolgorde van een gen.
- Genexpressie
- Het verschijnsel dat een gen wordt aangezet, waardoor de erfelijke informatie tot uiting komt in het fenotype.
- Modificatie
- Een verandering in het fenotype door invloeden uit het milieu waarbij de DNA-sequentie niet verandert.
- Aangeboren afwijking
- Een afwijking, aandoening of ziekte die ontstaat tijdens de ontwikkeling in de baarmoeder.
- Erfelijke ziekte
- Een afwijking, aandoening of ziekte die via de chromosomen van de ouders wordt doorgegeven aan een nakomeling.
- Non-disjunctie
- Het proces waarbij een paar chromosomen of chromatiden tijdens de meiose niet uit elkaar gaat.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–