Begrippen: Inkomen
Publiek
Woorden in deze lijst (27)
Origineel
- primair inkomen
- Ontvangst van loon, winst, huur, pacht en rente waarvoor je een tegenprestatie levert.
- modaal inkomen
- Het meest voorkomende inkomen in een land.
- lorenzcurve
- Een grafiek waarmee je de verdeling van het inkomen in een land zichtbaar maakt.
- secundair inkomen (overdrachtsinkomen)
- Ontvangst van een uitkering, toeslag of subsidie zonder dat je daarvoor een tegenprestatie hoeft te leveren.
- armoedeval
- Het verschijnsel dat het voor mensen met een uitkering niet lonend is om te gaan werken.
- vergrijzing
- Het verschijnsel dat de groep 67-plussers sterker toeneemt dan de rest van de bevolking.
- nivelleren
- Mensen met een laag inkomen gaan er in verhouding meer op vooruit dan mensen met een hoog inkomen.
- denivelleren
- Mensen met een hoog inkomen gaan er in verhouding meer op vooruit dan mensen met een laag inkomen.
- zwartgeld
- Inkomsten en vermogen waarvoor ten onrechte geen belasting is betaald.
- grijsgeld
- Inkomsten of vermogen waarover geen belasting wordt betaald door ontwijking van de belastingregels.
- inflatie
- De gemiddelde stijging van de prijzen.
- deflatie
- De gemiddelde daling van de prijzen.
- consumentenprijsindex (CPI)
- Indexcijfer dat de gemiddelde verandering van het prijspeil weergeeft over een bepaalde periode.
- bestedingsinflatie
- Het prijspeil stijgt doordat de producenten moeite hebben om aan de toenemende vraag te voldoen.
- kosteninflatie
- Het prijspeil stijgt doordat de producenten de gestegen kosten verrekenen in de prijs.
- geldontwaarding
- Voor één euro kun je minder producten kopen.
- koopkracht
- De hoeveelheid producten die je van een hoeveelheid geld kunt kopen.
- ECB
- Europese Centrale Bank die let op het geldverkeer en de stabiliteit van de banken.
- nominaal (nationaal) inkomen
- Het inkomen in geld van één persoon (of van een heel land).
- prijscompensatie
- Het deel van de inkomensstijging dat nodig is om de koopkracht te handhaven.
- reëel (nationaal) inkomen
- De koopkracht van het inkomen van één persoon (of van een heel land).
- planeconomie
- De overheid bepaalt wat, hoeveel, door wie en voor welke prijs er geproduceerd wordt.
- vrijmarkteconomie
- Producenten en consumenten bepalen wat, hoeveel, door wie en voor welke prijs er geproduceerd wordt, zonder dat de overheid zich ermee bemoeit.
- georiënteerde marktconomie
- Producenten en consumenten bepalen wat, hoeveel, door wie en voor welke prijs er geproduceerd wordt binnen door de overheid gestelde grenzen.
- deregulering
- De overheid bemoeit zich minder met de economie en de economie schuift op in de richting van de vrijemarkteconomie.
- regulering
- De overheid bemoeit zich meer met de economie en de economie schuift meer op in de richting van de planeconomie.
- economische groei
- De groei van de productie in een land.