3. Arm en rijk
Publiek
Woorden in deze lijst (30)
Origineel
- analfabetisme
- Niet kunnen lezen en schrijven.
- armoedegrens
- Het inkomen dat je minimaal nodig hebt om te kunnen leven: voor wonen, eten en kleding.
- bbp
- Bruto binnenlands product: het totale inkomen dat in een land in een jaar wordt verdiend.
- bbp per hoofd
- Het bbp gedeeld door het aantal inwoners.
- beroepsbevolking
- De groep mensen in een land die betaald werk heeft of daarnaar zoekt.
- centrum
- De landen/
gebieden met de meeste rijkdom en macht. - commerciƫle landbouw
- Landbouwbedrijven in handen van bedrijven uit rijkere landen waar geproduceerd wordt voor de export.
- continentaal schaalniveau
- Je kijkt naar een werelddeel.
- derde wereldlanden
- Landen die arm zijn en in de periferie liggen.
- diensten
- Mensen doen iets voor andere mensen.
- Human Development Index (HDI)
- Je kijkt naar verschillende kenmerken die samen bepalen of een land rijk is of arm.
- industrie
- Het maken van producten uit grondstoffen.
- informele sector
- Diensten in arme landen waarvoor geen vergunning is afgegeven. Er zijn dus geen gegevens bekend bij de regering. Ook heb je er geen opleiding voor nodig.
- inzoomen
- Wisselen van schaalniveau: van een hoger niveau naar een lager niveau.
- levensverwachting
- Hoe oud iemand gemiddeld zal worden.
- lokaal schaalniveau
- Je kijkt naar een plaats.
- microkrediet
- Dit is een kleine lening met een lage rente die inwoners van arme landen kunnen afsluiten om bijvoorbeeld een eigen bedrijfje te beginnen of te verbeteren.
- mondiaal schaalniveau
- Je kijkt naar de wereld.
- nationaal schaalniveau
- Je kijkt naar een land.
- noodhulp
- Hulp bij een natuurramp of oorlog.
- ontwikkelingshulp
- Hulp van de rijke landen aan de arme landen.
- ontwikkelingslanden
- Landen die arm zijn en in de periferie liggen.
- ontwikkelingssamenwerking
- Samenwerking waarbij arme en rijke landen samen kijken hoe het leven in arme landen blijvend kan worden verbeterd.
- periferie
- Landen/
gebieden die arm zijn en weinig macht hebben. - regionaal schaalniveau
- Je kijkt naar een streek of provincie.
- schaalniveau
- De grootte van het gebied dat je bekijkt.
- semiperiferie
- Landen/
gebieden die tussen het centrum en de periferie zitten. - uitzoomen
- Wisselen van schaalniveau: van een lager niveau naar een hoger niveau.
- westerse landen
- Landen met de meeste rijkdom en macht (centrum).
- zelfvoorzienende landbouw
- De opbrengst van een landbouwbedrijf is alleen bedoeld om er zelf van te kunnen leven.