Het bloed
Publiek
Woorden in deze lijst (22)
Origineel
- Bloedplasma
- Vloeistof in het bloed die bestaat uit water met opgeloste stoffen en plasma-eiwitten.
- Plasma-eiwitten
- Eiwitten in het bloedplasma, waaronder albuminen, globulinen en fibrinogeen.
- Albuminen
- Type plasma-eiwitten die zorgen voor het transport van stoffen en osmoregulatie.
- Globulinen
- Type plasma-eiwitten die stoffen transporteren en een rol spelen bij de immuniteit via antistoffen.
- Fibrinogeen
- Plasma-eiwit dat een rol speelt bij de bloedstolling.
- Lipoproteïnen
- Verbindingen van vetten die gebonden zijn aan globulinen voor transport in het bloedplasma.
- Rode beenmerg
- Sponsachtig materiaal in de holten van botten waarin stamcellen nieuwe bloedcellen en bloedplaatjes vormen.
- Geel beenmerg
- Materiaal in de holten van botten waarin veel vetcellen zitten.
- Rode bloedcellen (erytrocyten)
- Kleine ronde schijfjes zonder celkern die hemoglobine bevatten voor het transport van zuurstof en koolstofdioxide.
- Epo (erytropoëtine)
- Hormoon geproduceerd door de nieren dat de aanmaak van rode bloedcellen in het rode beenmerg stimuleert.
- Hemoglobine
- IJzerhoudend eiwitmolecuul in rode bloedcellen dat de rode kleur aan het bloed geeft en zorgt voor zuurstoftransport.
- Bloedarmoede
- Toestand waarbij het bloed niet voldoende hemoglobine bevat.
- Bloedplaatjes (trombocyten)
- Delen van uiteengevallen cellen die een belangrijke functie vervullen bij de bloedstolling.
- Bloedstolling
- Het proces waarbij bloed klontert en hard wordt om een wond te dichten.
- Trombokinase
- Stof die vrijkomt uit uiteengevallen bloedplaatjes en beschadigde cellen om de keten van reacties voor bloedstolling te starten.
- Stollingsfactoren
- Stoffen in het bloedplasma, zoals calciumionen, die betrokken zijn bij het proces van bloedstolling.
- Protrombine
- Inactief pro-enzym in het bloedplasma dat door trombokinase wordt omgezet in trombine.
- Trombine
- Enzym dat de omzetting van fibrinogeen uit het bloedplasma naar fibrinedraden bevordert.
- Fibrine
- Eiwit dat een netwerk van draden vormt waartussen bloedcellen blijven hangen om een bloedstolsel te vormen.
- Bloedserum
- Vloeistof die uit een bloedstolsel wordt geperst, bestaande uit bloedplasma zonder fibrinogeen.
- Witte bloedcellen (leukocyten)
- Cellen met een celkern en zonder vaste vorm die betrokken zijn bij de afweer tegen ziekteverwekkers.
- Fagocytose
- Het proces waarbij witte bloedcellen bacteriën bestrijden door deze in te sluiten.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–