De Geo - Leerboek - 1 VMBO-T/HAVO - begrippen H6
Publiek
Woorden in deze lijst (51)
Origineel
- aanlandige wind
- Wind vanaf zee.
- aflandige wind
- Wind vanaf land.
- atmosfeer
- De luchtlaag rond de aarde.
- boomgrens
- Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan gemiddeld 10 °C in de zomer).
- breedteligging
- Hoe ver een plaats van de evenaar ligt, gemeten in breedtegraden.
- broeikaseffect
- Vasthouden van zonnewarmte door de atmosfeer.
- broeikasgas
- Een gas dat een isolerende werking heeft in de atmosfeer.
- fossiele brandstof
- Energiedrager die miljoenen jaren geleden is ontstaan uit planten- en dierenresten, en nu diep in de ondergrond zit. Voorbeelden zijn aardolie, aardgas en steenkool.
- fotosynthese
- Het onder invloed van zonlicht omzetten van water en koolzuurgas in glucose (suikers) en zuurstof door bomen en planten.
- gematigde zone
- Luchtstreek tussen de breedtecirkels van 23½ en 66½ °N.B. en 23½ en 66½ °Z.B. Gematigd wil zeggen: niet heel warm en niet heel koud.
- gletsjer
- IJsmassa die langzaam in een dal naar beneden schuift.
- Golfstroom
- Zeestroom die warm water van de Golf van Mexico naar de westkust van Europa brengt.
- heuvelland
- Gebied met een hoogteligging van tussen de 200 m en 500 m.
- hoge breedte
- De ligging van een plaats ver van de evenaar (hoger dan 60° N.B. en Z.B.).
- hooggebergte
- Berggebied met toppen die hoger zijn dan 1.500 m.
- hooggebergteklimaat
- Koud en nat klimaat. De temperatuur in de zomer is gemiddeld lager dan 0 °C.
- ijstijd
- Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen.
- klimaat
- Het gemiddelde weer in een bepaald gebied over langere tijd, meestal dertig jaar.
- klimaatdiagram
- Diagram met een overzicht van de gemiddelde temperatuur en de gemiddelde neerslag per maand in een plaats of een gebied.
- klimaatverandering
- Geleidelijke of abrupte verandering in het klimaat door natuurlijke processen en/
of invloed van de mens. - koolstofdioxide (CO₂)
- Gas in de atmosfeer dat voor het leven op aarde erg belangrijk is. Het is een broeikasgas.
- koolstofkringloop
- Alle uitwisselingen van koolstofdioxide (CO₂) op aarde.
- laagland
- Gebied met een hoogteligging lager dan 200 m.
- lage breedte
- De ligging van een plaats dicht bij de evenaar (lager dan 30° N.B. en Z.B.).
- landijs
- Een ijskap/
ijsmassa van honderden tot duizenden meters dik dat al eeuwenlang op het land ligt. - landklimaat
- Klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur in de warmste maand hoger is dan 10 °C en in de koudste maand lager is dan –3 °C.
- lijzijde
- De kant van de berg(en) die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag.
- loefzijde
- De windkant van de berg(en); er valt veel neerslag.
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde zone (luchtstreek) waar loofbomen groeien, zoals eiken en beuken.
- luchtstreek
- Temperatuurzone op aarde: tropen, gematigde zone en poolstreken.
- middelgebergte
- Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.
- Middellandse Zeeklimaat
- Klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters.
- naaldboomgordel
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook taiga.
- natuurlijk broeikaseffect
- Het vasthouden van warmte in de atmosfeer door gassen zoals CO₂, methaan en lachgas, waardoor het op aarde warm genoeg is voor leven.
- poolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B. (noordpoolcirkel) en 66½° Z.B. (zuidpoolcirkel).
- poolstreek
- Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B. Heet ook polaire zone.
- regenschaduw
- De lijzijde van een berg, waar de dalende, opwarmende lucht weinig of geen neerslag brengt.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- schiereiland
- Gebied dat aan drie kanten is omringd door de zee.
- steppe
- Natuurlandschap waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.
- stuwingsregen
- Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.
- subtropen
- Deel van de gematigde zone dat het dichtst bij de tropen ligt (sub = onder). Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone.
- taiga
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook naaldboomgordel.
- toendra
- Natuurlandschap in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struikjes.
- toendraklimaat
- Koud klimaat met in de warmste maand een gemiddelde temperatuur tussen de 0 en 10 °C.
- tropen
- Warme luchtstreek bij de evenaar tussen 23½° N.B. en 23½° Z.B. Heet ook tropische zone.
- versterkt broeikaseffect
- Versterking van het ‘natuurlijke’ effect van CO₂ door de sterke toename van het gas in de atmosfeer.
- verwoestijning
- Uitbreiding van een woestijn.
- zeeklimaat
- Klimaat met een gemiddelde temperatuur in de warmste maand van boven de 10 °C en in de koudste maand van tussen de 18 en –3 °C. Het heeft koele zomers, zachte winters en er valt het hele jaar door neerslag.
- zeespiegelstijging
- Stijging van de zeespiegel door het afsmelten van gletsjers en landijs en het uitzetten van het zeewater.
- zeestroom
- Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit één richting waait.