Unit 3 - Lesson 3 - Speaking - NL/ENG
Publiek
Woorden in deze lijst (31)
Origineel
- boos
- angry
- bril
- glasses
- dragen
- to wear
- grappig
- funny
- klein
- short
- lijken
- to seem
- moe
- tired
- trots
- proud
- verdrietig
- sad
- verlegen
- shy
- verveeld
- bored
- voelen
- to feel
- Hoe gaat het?
- How are you? /
How are you doing? - Wat is er aan de hand?
- What's wrong?
- Gaat het?
- Are you okay?
- Hoe voel je je?
- How do you feel?
- Ik voel me niet zo goed.
- I don't feel so good.
- Het gaat goed, dank je.
- I'm fine, thank you.
- Ik voel me geweldig!
- I feel great!
- Ik heb er zoveel zin in!
- I'm so excited!
- Heel erg bedankt.
- Thank you very much.
- Enorm bedankt.
- Thanks a lot.
- Bedankt voor je tijd.
- Thank you for your time.
- Graag gedaan.
- You're welcome.
- Geen probleem.
- No problem.
- Ik ben een vrolijk persoon.
- I’m a happy person.
- Ik lach veel.
- I smile a lot.
- Ze heeft blond, krullend haar.
- She’s got blonde, curly hair.
- Hij is lang en dun.
- He’s tall and skinny.
- Mark draagt altijd een grappig T-shirt.
- Mark always wears a funny T-shirt.
- Mijn leraar is erg humeurig.
- My teacher is really grumpy.