Uit balans - Kiezen als uitdaging
Publiek
Woorden in deze lijst (29)
Origineel
- Begrensde rationaliteit
- beperkte informatie/
aandacht of cognitieve capaciteiten, waardoor je opbrengsten en kosten niet goed vergelijkt en keuzes maakt die je welvaart niet ten goede komen. - Begrensde wilskracht
- beperkte capaciteit om verleidingen te weerstaan, waardoor je tegen beter weten in kiest.
- Belanghebbende
- een partij die de gevolgen ondervindt van een beslissing en belang hecht aan deze gevolgen.
- Beschikbaarheidsvalkuil
- de opbrengsten en kosten die je gemakkelijk kunt ophalen uit je geheugen wegen zwaarder mee dan andere opbrengsten en kosten.
- Beslisser
- een partij die een keuze maakt.
- Bevestigingsvalkuil
- het zoeken naar informatie die je vooroordelen bevestigt en het negeren van informatie die deze vooroordelen tegenspreekt.
- Budgetillusie
- te veel geld uitgeven omdat je onvoldoende rekening houdt met je budgetrestrictie.
- Consumentenprijsindex (CPI)
- samengesteld en gewogen indexcijfer van de partiële indexcijfers van de producten die deel uitmaken van het consumptiepakket van de gemiddelde gezinshuishouding.
- Deflatie
- stijging van de koopkracht van het ruilmiddel geld.
- Deugdgoed
- een goed waarvan je te weinig ruilt, omdat je het marginale surplus van het goed onderschat.
- Geldillusie
- de neiging om veranderingen in nominale prijzen te verwarren met veranderingen in reële prijzen.
- Gewogen indexcijfer
- een samengesteld indexcijfer waarin de samenstellende partiële indexcijfer een ongelijk gewicht hebben.
- Indexcijfer
- de waarde van een variabele als percentage van de basiswaarde van dezelfde variabele.
- Inflatie
- daling van de koopkracht van het ruilmiddel geld als gevolg van stijgende nominale prijzen.
- Interne effect
- het effect op de eigen welvaart dat een beslisser niet meeweegt in zijn of haar keuzes.
- Keuzeprijs
- de individuele waardering van een goed op basis waarvan de beslisser daadwerkelijk kiest.
- Koopkracht
- de hoeveelheid goederen die je met een gegeven geldbedrag (bijvoorbeeld je inkomen) kunt aanschaffen.
- Nominale prijs
- de prijs van een goed uitgedrukt in de rekeneenheid geld. De nominale prijs is dus de ruilverhouding tussen geld en het betreffende goed.
- Oppotvalkuil
- het oppotten van geld krijgt in je keuzes te veel gewicht met welvaartsverlies als gevolg.
- Prijsstabiliteit
- de nominale prijzen blijven gemiddeld over alle goederen (gewogen met hun budgetaandelen) constant over de tijd. De koopkracht van geld is dus stabiel.
- Procentueel verschil
- het verschil tussen de waarde van een variabele en de basiswaarde van dezelfde waarde, uitgedrukt als percentage van de basiswaarde.
- Reële prijs
- de prijs van een goed uitgedrukt in een andere rekeneenheid dan geld, namelijk de producten die je met geld koopt. De reële prijs is dus de ruilverhouding tussen je consumptiepakket en het betreffende goed.
- Rijkdomsvalkuil
- materiële waarden krijgen in je keuzes te veel gewicht ten opzichte van de immateriële waarden, die vaak minder goed zichtbaar zijn en minder gemakkelijk op geld te waarderen zijn.
- Samengesteld indexcijfer
- een indexcijfer dat bepaald wordt op basis van verschillende partiële indexcijfers.
- Systeem1
- snelle, intuitieve manier van kiezen.
- Systeem2
- langzame, bedachtzame manier van kiezen.
- Verzonken kosten
- kosten die je gemaakt bent voor een specifiek project of relatie die je niet terugkrijgt als dat project of die relatie stopt.
- Verzonkenkostenvalkuil
- kosten die je gemaakt bent voor een specifiek project of relatie die je niet terugkrijgt als dat project of die relatie stopt.
- Zondegoed
- een goed waarvan je te veel ruilt, omdat je het marginale surplus van het goed overschat.