Leerboek - 3 vmbo-kgt - Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland - E
Publiek
Woorden in deze lijst (22)
Origineel
- industrie
- Grootschalige manier van produceren die gebruikmaakt van machines.
- crisis
- Ernstige verstoring van de normale toestand. Bijvoorbeeld een economische crisis waardoor bedrijven in problemen komen en mensen werkloos worden.
- failliet
- Toestand waarin een persoon of bedrijf zijn schulden niet meer kan betalen
- beroepsbevolking
- Alle mensen in een land die een baan hebben.
- arbeider
- Iemand die zijn brood verdient met eenvoudig werk, bijvoorbeeld in een fabriek.
- armoede
- Heel weinig hebben, bijna niets hebben om van te leven.
- regering
- Groep bestuurders, meestal ministers, die plannen maakt voor nieuwe wetten en bestaande wetten uitvoert.
- belasting
- Verplichte geldbetaling aan de regering voor wat een land nodig heeft, zoals scholen, wegen, ziekenhuizen, enzovoort.
- minister-president
- Belangrijkste minister, voorzitter van de vergadering van ministers.
- overheid
- De instelling die de macht heeft in een land, provincie of gemeente.
- geld
- Ruilmiddel met een vaste waarde waardoor kopen en verkopen gemakkelijk wordt.
- schulden
- Als je van iemand iets geleend hebt, dan heb je een schuld bij diegene. Schuld kan ook betekenen dat je verantwoordelijk bent voor iets slechts wat een ander overkomt.
- aanpassing
- Iets zó doen als de omstandigheden of omgeving het van je vragen, bijvoorbeeld minder geld uitgeven als je weinig hebt, of meedoen met ergens bestaande gewoonten.
- bezuinigen
- Geld besparen door minder uit te geven.
- opstand
- Groot verzet tegen degenen die ergens de baas zijn
- leger
- Krijgsmacht bestaande uit soldaten.
- kapitalisme
- Economisch systeem waarin mensen investeren in bedrijven waarin ze zelf niet werken, waardoor hun kapitaal iets wordt waarmee ze geld verdienen.
- vrije markt
- Situatie waarin prijzen zonder regels worden bepaald door vraag en aanbod.
- systeem
- Manier om iets te doen volgens bepaalde regels
- econoom
- Iemand die zich bezighoudt met economie en daarin heeft gestudeerd.
- gevolg
- Iets wat gebeurt doordat het door iets anders wordt veroorzaakt, of iets wat het resultaat is van iets anders; bijvoorbeeld: het gevolg van de storm was grote schade aan huizen.
- producten
- Iets wat geproduceerd is.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–