3. Klimaat
Publiek
Woorden in deze lijst (41)
Origineel
- hoge breedte
- breedtegraden die dicht bij de polen liggen
- klimaat
- het gemiddelde weer over dertig jaar in een groter gebied
- lage breedte
- breedtegraden die in de buurt van de evenaar liggen
- landklimaat
- klimaat op gematigde breedte met koude winters en hete zomers, met bijna alleen naaldbomen
- poolklimaat
- een koud klimaat waar het bijna nooit warmer wordt dan 0 graden, ook niet in de zomer
- savanneklimaat
- warm klimaat met een temperatuur die altijd hoger is dan 18 °C. Er is hier een droge en een natte tijd. Hier groeit gras en een enkele boom of struik.
- steppeklimaat
- klimaat met weinig neerslag; hierdoor groeit er bijna alleen gras
- toendraklimaat
- een koud klimaat waarbij zelfs in de zomer de temperatuur niet boven de 10 °C komt; hierdoor groeien er alleen grassen en mossen
- tropisch regenwoudklimaat
- warm en vochtig klimaat in de buurt van de evenaar niet kouder dan 18 graden. Hier groeien veel verschillende bomen en planten.
- weer
- temperatuur, neerslag en wind op een bepaald moment op een bepaalde plaats
- woestijnklimaat
- droog klimaat op lage breedte
- zeeklimaat
- klimaat op gematigde breedte waar het niet heel warm en niet heel koud wordt en het hele jaar door kans op neerslag is. In een zeeklimaat vind je veel loofbos, maar ook wel naaldbos.
- breedtegraden
- hiermee wordt de breedteligging aangegeven
- breedteligging
- de afstand van een plaats ten opzichte van de evenaar
- dampkring
- de luchtlaag die zich om de aarde bevindt, ook wel atmosfeer genoemd
- hooggebergteklimaat
- een koud klimaat dat lijkt op een poolklimaat maar wat alleen voorkomt in gebergten
- hoogteligging
- de afstand van een plaats ten opzichte van het aardoppervlak
- invalshoek van de zon
- de hoek waarin de zonnestralen de aarde verwarmen. Deze hoek bepaalt of er een groot of klein oppervlakte wordt verwarmd.
- noordelijk halfrond
- het gebied tussen de evenaar en de noordpool
- seizoenen
- perioden in het jaar met elk hun eigen weertype
- zuidelijk halfrond
- het gebied tussen de evenaar en de zuidpool
- condensatie
- waterdamp wordt vloeibaar en verandert in druppels
- frontale regen
- warme lucht van lage breedte en koude lucht vanuit de poolgebieden botsen. De warme lucht wordt gedwongen op te stijgen, waarna regen ontstaat.
- korte waterkringloop
- zeewater valt na verdamping uit zee via wolken in zee terug
- lange waterkringloop
- zeewater stroomt na verdamping uit zee via wolken, neerslag, grondwater en rivieren weer terug naar zee
- neerslag
- water dat op aarde neerkomt, bijvoorbeeld als sneeuw, hagel, regen of mist
- stijgingsregen
- regen die ontstaat doordat warme lucht opstijgt en daardoor afkoelt, waarna waterdamp condenseert
- stuwingsregen
- regen die ontstaat doordat lucht tegen een berg opgeduwd wordt en dan afkoelt, waarna waterdamp condenseert
- waterdamp
- als water verdampt wordt het een onzichtbaar gas, dat noem je waterdamp
- waterkringloop
- het water op de aarde verandert van plaats en vorm door condensatie en verdamping
- aanlandige wind
- wind die van zee naar land gaat
- aflandige wind
- wind die van land naar zee gaat
- gematigd klimaat
- klimaten rond de 50e breedtegraad waar het niet vaak heel warm of heel koud wordt
- gemiddelde dagtemperatuur
- het gemiddelde tussen de hoogste en de laagste temperatuur van die dag
- klimaatcrisis
- negatieve gevolgen van snelle klimaatverandering
- klimaatverandering
- verandering van het klimaat door afwijkende temperaturen en meer of minder neerslag
- overstromingsrisico
- de kans dat een gebied overstroomt
- temperatuur
- hoe warm of koud een gebied is uitgedrukt in graden
- verdroging
- het steeds droger worden van een gebied
- weerselementen
- neerslag, wind en temperatuur. Deze bepalen wat voor weer het is en zorgen ervoor dat je een goede beschrijving van het weer kunt maken.
- wind
- verplaatsende lucht van de ene naar de andere plaats