2. Endogene en exogene krachten
Publiek
Woorden in deze lijst (79)
Origineel
- aardbeving
- Met een schok losschieten van platen als langs plaatgrenzen platen tegen elkaar drukken, of langs elkaar schuiven totdat de spanning van wrijving te groot wordt.
- aardverschuiving
- Het door de zwaartekracht naar beneden glijden van een met water verzadigde verweringslaag.
- atmosferische circulatie
- De verplaatsing van warme en koude lucht over aarde door grote windsystemen.
- basalt
- Snel, aan het aardoppervlak, afgekoeld vulkanisch uitvloeingsgesteente met vrijwel geen herkenbare mineralen.
- bodemerosie
- Het opnemen en afvoeren van gronddeeltjes aan de bovenkant van de bodem door wind of water. Bodemerosie kan door de mens versneld worden, bijvoorbeeld door het kappen van bomen of het weghalen van begroeiing.
- boreale landschapszone
- Landschapszone die de overgang vormt tussen de gematigde zone en de polaire zone. Er komen taiga’s met homogeen bos voor en toendra’s. In toendra’s ontdooit alleen de bovenlaag van de bodem in de zomer en er groeien geen bomen. De winters zijn er heel koud en de zomers niet warm.
- breukgebergte
- Opheffing van de aardkorst langs breuken, boven een opstijgende convectiestroom.
- caldera
- Depressie die ontstaat als na een explosieve eruptie de gelegen magmakamer instort. Een caldera kan ook ontstaan doordat de top van de vulkaan door de eruptie is weggeblazen.
- chemische verwering
- Het in kleinere stukken breken van een gesteente waarbij een gesteente van samenstelling verandert, doordat een deel van het gesteente oplost en het andere deel niet.
- convectiestromen
- De stroming van taai vloeibaar gesteente in de asthenosfeer, verantwoordelijk voor platentektoniek.
- convergente plaatgrens
- Plaatgrens (botsingszone) waar platen naar elkaar toe bewegen (convergeren).
- delta
- Vaak driehoekige sedimentatie aan de monding van een rivier, doordat de rivier meer sediment aanvoert dan dat er door de golfwerking van de zee wordt afgebroken.
- dieptegesteente
- Gesteente dat ontstaat door het afkoelen en stollen van vloeibaar gesteente diep in de aardkorst (magma).
- diepzeetrog
- Een langgerekte diepte in de oceaan op een convergente plaatgrens.
- divergente plaatgrens
- Grens tussen twee uit elkaar bewegende platen boven een opstijgende convectiestroom.
- drainage
- Het afvoeren van (grond)water van het land.
- duurzaam landbouw
- Vorm van landgebruik die de mogelijkheden voor toekomstige generaties niet in gevaar brengt. Er is evenwicht tussen de mogelijkheden van het landschap en de benutting door de mens.
- effusieve eruptie
- Relatief rustige uitbarsting die veroorzaakt wordt door relatief vloeibaar magma en weinig gasdruk, ontstaat bij een divergente plaatgrens of een hotspot.
- erosie
- Het uitschuren van een gesteente door water, wind of ijs met behulp van verweringsmateriaal en het transporteren van verweringsmateriaal.
- explosieve eruptie
- Heftige uitbarsting die veroorzaakt wordt door taai, stroperig magma en een hoge gasdruk, ontstaat vaak bij een convergerende plaatgrens.
- fysische verwering
- Een gesteente wordt in steeds kleinere stukken gebroken zonder dat dit gesteente van samenstelling verandert. Dit kan gebeuren door plantenwortels, uitzetting door temperatuurverschillen of het uitzetten van water door bevriezing.
- gebergtevorming
- Een stuk aardkorst dat opgeheven wordt door horizontale en verticale druk bij een convergerende plaatgrens.
- gematigde landschapszone
- De gematigde landschapszone ligt ten noorden en ten zuiden van de tropische zone, en komt vooral voor op het noordelijke halfrond. Er heerst een vochtig klimaat met gematigde temperaturen. Het wordt er niet ijskoud, en ook niet heel warm. Er groeien naaldbomen, bladverliezende loofbomen en er komen steppen (prairies) voor.
- geofactoren
- De factoren die samen het landschap vormen: gesteente en reliëf, klimaat en lucht, bodem, water, flora en fauna en de mens. Geofactoren hebben een rangorde. Klimaat heeft de hoogste positie in de rangorde.
- geologische tijdschaal
- De samenvatting van de 4,6 miljard jaar durende geschiedenis van de aarde.
- gesteentekringloop
- Proces waarbij stollingsgesteente, sedimentgesteente en metamorfgesteente onder invloed van geologische processen (hitte, druk, verwering, erosie, sedimentatie en stolling) in elkaar overgaat.
- graniet
- Langzaam, op grote diepte, afgekoeld stollingsgesteente met duidelijk herkenbare mineralen.
- grote windsystemen
- Overheersende systemen van luchtverplaatsing op aarde (passaten, westenwinden, poolwinden), ontstaan door temperatuur- en luchtdrukverschillen en het corioliseffect. Zie ook atmosferische circulatie.
- horst
- Vaak langgerekt stuk continentale aardkorst bij divergente plaatgrenzen dat langs breuken omhoogkomt.
- hotspot
- Plek op de aardkorst boven een geïsoleerde kolom heet gesteente die opstijgt vanaf de onderzijde van de aarmantel.
- hydrologische kringloop
- De verplaatsing van water over de aarde.
- Intertropische Convergentiezone (ITCZ)
- Dit is het gebied met lage druk in de tropen waar de instraling van de zon het sterkst is. De stijgende lucht zorgt hier voor veel neerslag (stijgingsregens). De ITCZ verplaatst met de loodrechte zonnestand. Deze verplaatsing gaat sneller/
verder boven land dan boven zee, omdat land sneller opwarmt. - irrigatie
- Kunstmatige bevloeiing of beregening van het land.
- kalksteen
- Gesteente dat ontstaat doordat losse kalkkorrels aan elkaar plakken of doordat kalk neerslaat uit het water.
- klimaatgebied
- Gebieden met gelijke klimaatekenmerken volgens het klimaatsysteem van Köppen.
- klimaatverandering
- Een verandering van het weer op de lange termijn.
- koude zeestroom
- Zeestroom die koud water uit de polaire zone naar de tropen vervoert.
- landdegradatie
- Aantasting van natuurlijke hulpbronnen in een landschap die het vermogen van bodem en grond verminderen om gezond voedsel, zoet water en brandhout te produceren.
- landschapszone
- Groot gebied dat de breedtezones volgt en dat wat betreft de samenwerking van klimaat, plantengroei, bodem en water een eenheid vormt. (Van de polen richting de tropen zijn dit de polaire zone, de boreale zone, de gematigde zone, de subtropische zone, de (semi-)aride zone en de tropische zone).
- leisteen
- Een gesteente dat ontstaat doordat klei of schalie onder invloed van hitte en druk van vorm verandert of rekrystalliseert.
- lithosfeer
- De vaste buitenkant van de aarde die is opgebouwd uit platen die ten opzichte van elkaar bewegen.
- marmer
- Een gesteente dat ontstaat doordat kalksteen onder invloed van hitte en druk van vorm verandert of rekrystalliseert.
- mechanische verwering
- Een gesteente wordt in steeds kleinere stukken gebroken zonder dat dit gesteente van samenstelling verandert. Dit kan gebeuren door plantenwortels, uitzetting door temperatuurverschillen of het uitzetten van water door bevriezing.
- metamorf gesteente
- Sedimentgesteente en stollingsgesteente dat onder invloed van hitte en/
of druk van vorm veranderd en gerekrystalliseerd is. - (mid)oceanische rug
- Een langgerekt gebergte op de bodem van de oceaan met schildvulkanen op de grens van twee divergente platen.
- moesson
- Een passaat met een andere, overheersende windrichting. Dit zorgt in de zomer voor een natte moesson (verhitting en lage luchtdruk) en in de winter voor een droge moesson (afkoeling en hoge luchtdruk).
- morene
- Sediment, neergelegd door een gletsjer.
- oceanische circulatie
- Het stromingspatroon over de aarde van het zeewater in de oceanen.
- ontbossing
- Het verdwijnen van bos door houtkap.
- overbeweiding
- Verdwijning van de (bodembeschermende) plantengroei door een te intensieve beweiding door vee.
- passaat
- Constant waaierende wind aan het aardoppervlak van het subtropisch hogedrukgebied rond 35e breedtegraden naar de Intertropische Convergentiezone (ITCZ) rond de evenaar.
- platentektoniek
- Het bewegen van de continenten, de platen, onder invloed van convectiestromen.
- plooingsgebergte
- Opgeheven, geplooid stuk aardkorst dat ontstaat bij een convergerende plaatbeweging.
- polaire landschapszone
- Landschapszone waar het nooit warmer dan 10 °C wordt. Het is er te koud voor bomen; er groeien alleen struikachtige planten. De grond is niet vruchtbaar omdat die vaak bevroren is. De polaire zone omvat onder andere de poolzones, Noord-Rusland, Noord-Scandinavië en Groenland.
- puinhelling
- Een verzameling losse stukken steen die in een gebergte in een vrije val naar beneden zijn gekomen en aan de voet van een helling liggen.
- puinwaaier
- Kegelvormige puinhelling die ontstaat op een plotselinge overgang in reliëf.
- schaal van Richter
- Een schaal die de sterkte (magnitude) van een aardbeving aangeeft door de omvang van de trillingen (of de vrijgekomen energie) te meten. De schaal loopt van 1 tot 12 en elke punt hoger op de schaal is een tien keer zo sterke trilling.
- schildvulkaan
- Brede vulkaan met een flauwe helling die ontstaat bij een divergente plaatbeweging of bij een hotspot.
- sedimentatie
- Het neerleggen van materiaal door water, wind of ijs.
- sedimentgesteente
- Stollingsgesteente dat door verwering en erosie wordt afgebroken, verplaatst en ergens neergelegd door water, wind of ijs.
- (semi-)aride landschapszone
- De (semi-)aride landschapszone bevindt zich op bijna alle continenten. In deze zone valt zo weinig neerslag en is de verdamping zo hoog dat er geen vegetatie kan groeien. Ook door verdamping is het er erg droog. Woestijngebieden in Australië en delen van Afrika en Azië maken deel uit van de aride zone. De semi-aride gebieden zijn iets minder droog; daar komen steppen voor.
- slenk
- Vaak langgerekt stuk continentale aardkorst bij divergente plaatgrenzen dat langs breuken naar beneden zakt.
- stollingsgesteente
- Gesteente dat ontstaat door het afkoelen en stollen van vloeibaar gesteente.
- stratovulkaan
- Een kegelvormige vulkaan met vrij steile hellingen die ontstaat bij een explosieve eruptie, vaak bij subductie.
- stroomgebied
- Gebied dat zijn water afvoert via één hoofdrivier met zijn zijrivieren.
- subductie
- Wanneer de zwaardere oceanische plaat door de dalende convectiestroom onder de lichtere continentale plaat zakt.
- subtropische landschapszone
- De subtropische landschapszone ligt direct ten noorden en ten zuiden van de tropische zone. Het is er iets koeler dan in de tropische zone. De bodems zijn vruchtbaarder dan die in de tropische zone. In de subtropische zone zijn typisch tropische zomers en niet-tropische winters. Er komt mediterrane plantengroei voor met altijd groene naaldbomen en bladverliezende loofbomen.
- transforme plaatgrens
- Grens tussen twee horizontaal langs elkaar, in tegengestelde richting, bewegende platen.
- transport
- Vervoer van verweringsmateriaal door water, wind of ijs.
- tropische landschapszone
- De tropische landschapszone is het gebied tussen de keerkringen. Er valt het grootste deel van het jaar veel neerslag en het is het hele jaar warm. In de tropische zone komen oerwouden en savannes voor.
- tsunami
- Enorme vloedgolf die ontstaat doordat een aardbeving op de zeebodem (een zeebeving) de bovenliggende waterkolom verticaal verplaatst.
- versnelde bodemerosie
- Bodemerosie die door de mens versneld wordt, bijvoorbeeld door het kappen van bomen of het weghalen van begroeiing.
- verwering
- Het in stukken breken van een gesteente door exogene processen.
- verwoestijning
- Een ernstige vorm van landdegradatie waarbij een gebied door natuurlijke of menselijke oorzaken steeds minder plantenmassa kan produceren en steeds meer woestijnachtige kenmerken krijgt.
- verzilting
- Toename van de concentratie aan zouten in en op de bodem, vaak het gevolg van het verdampen van irrigatiewater. De in het irrigatiewater opgeloste zouten slaan bij verdamping neer.
- vulkanisme
- Een verzamelnaam voor alle verschijnselen (gas, stoom, lava) die te maken hebben met de nabijheid van magma aan het aardoppervlak.
- warme zeestroom
- Zeestroom die opgewarmd water uit de (sub)tropen naar hogere breedten vervoert.
- wet van Buys Ballot
- Wind stroomt van hoge druk naar lage druk en heeft (met de wind in de rug) op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links.
- zandsteen
- Gesteente dat ontstaat doordat losse zandkorrels aan elkaar plakken.