Spaans - Paso Adelante - 2 havo/vwo - Y tú ¿cómo eres?- Frases clave
Publiek
Woorden in deze lijst (12)
Origineel
- Tu amiga, ¿cómo es?
- Hoe ziet jouw vriendin eruit?
- ¿Cómo es su pelo?
- Wat voor haar heeft (hij/
zij)? - ¿Me puedes contar algo más de tu amiga?
- Kun je nog iets vertellen over jouw vriendin?
- ¿Es un nombre común en Holanda?
- Is dat een veelvoorkomende naam in Nederland?
- ¿Qué estilo tiene?
- Wat voor stijl heeft (hij/
zij)? - ¿Tienes una foto de tu amiga?
- Heb je een foto van je vriendin?
- Mi amiga tiene el pelo rubio y los ojos azules.
- Mijn vriendin heeft blond haar en blauwe ogen.
- Tiene el pelo un poco largo y ondulado.
- Hij/
Zij heeft half lang en golvend haar. - Sí, lleva gafas y se llama Esther.
- Ja, ze draagt een bril en ze heet Esther.
- Supongo que sí. /
Creo que sí. / Sí, seguro. - Ik denk van wel. /
Ik geloof het wel. / Jazeker. - Lleva mucha ropa deportiva.
- Ze draagt veel sportieve kleding.
- Sí, ella tiene muchas fotos en Facebook. /
No, no tengo una foto de ella. - Ja, ze heeft veel foto’s op Facebook staan. /
Nee, ik heb geen foto van haar.