Aardrijkskunde Vwo-5 globalisering H1+H2+H3+H4
Publiek
1keer geoefend
Woorden in deze lijst (150)
Origineel
- bruto binnenlands product (bbp)
- De waarde van alle goederen en diensten die in een land worden geproduceerd.
- bruto nationaal product (bnp)
- De waarde van alle goederen en diensten die in een jaar door de bevolking van een bepaald land (ook in het buitenland) worden geproduceerd.
- culturele globalisering
- Toenemende vervlechting van de levens van mensen en intensivering van culturele relaties tussen cultuurgebieden.
- economische globalisering
- Toenemende vervlechting en intensivering van economische relaties tussen landen.
- exploitatiekolonie
- Een overzees gebied dat dient als leverancier van goedkope grondstoffen en arbeidskrachten voor het moederland en als afzetgebied van de producten uit het moederland.
- geopolitiek
- Het inzetten van economische, politieke en militaire middelen door (regionale) grootmachten om hun invloed op bepaalde gebieden te vergroten.
- globalisering
- Wereldwijde vervlechting van de levens van mensen en van de uitwisseling van mensen, goederen, geld en informatie (kennis, cultuur).
- hegemoniale staat
- Land dat met economische, politieke en militaire middelen een dominante rol speelt in het wereldsysteem.
- imperialisme
- Proces waarbij landen hun macht in andere delen van de wereld willen uitbreiden door gebieden te veroveren en te controleren.
- internationale arbeidsverdeling
- Verdeling van economische activiteiten over landen, waarbij landen zich toeleggen op die productie, waar men relatief goed in is of waarvoor de voorwaarden gunstig zijn.
- kapitalisme
- Politiek en economisch systeem waarin de productie wordt geleid door ondernemers en waarin investeringen worden gedaan om winst te maken.
- kolonialisme
- Systeem waarin vooral Europese landen (overzeese) gebiedsdelen bezetten uit economische en/
of politieke overwegingen of als potentieel vestigingsgebied. - kolonie
- Overzees gebiedsdeel dat in het bezit is van (meestal) een Europees land.
- multinationale onderneming (mno)
- Onderneming met vestigingen in ten minste twee landen. Heet ook multinational of transnationale onderneming.
- politieke globalisering
- Toenemende vervlechting en intensivering van politieke relaties tussen landen.
- slavernij
- Een systeem waarbinnen een mens eigendom is van en ander of als zodanig wordt behandeld en daardoor geen rechten heeft of kan uitoefenen.
- vestigingskolonie
- Een overzees gebiedsdeel waar kolonisten (meestal Europeanen) zich blijvend vestigen.
- bipolaire wereld
- Wereldsysteem met twee economisch en/
of politiek machtige centrumgebieden. - centrum
- Begrip uit het centrum-periferiemodel (wereldsysteem): hoogontwikkeld, rijk land of gebied met veel economische en politieke macht.
- centrum-periferiemodel
- Systeem dat de wereld indeelt in centrumlanden, semiperifere landen en perifere landen op basis van economische en politieke machtsverhoudingen.
- communisme
- Politiek en economisch systeem waarbij de staat alle bedrijven bezit en bepaalt welke producten worden geproduceerd.
- dekolonisatie
- Het zelfstandig worden van een voormalige kolonie.
- periferie
- Begrip uit het centrum-periferiemodel (wereldsysteem): minder economisch ontwikkeld land of gebied dat wordt gekenmerkt door afhankelijkheid, nadelige handelsrelaties, gebrekkige technologie en een lage productie.
- ruilvoet
- Verhouding tussen het prijspeil van de exportproducten en het prijspeil van de importproducten.
- ruilvoetverslechtering
- Het steeds ongunstiger worden van de verhouding tussen het prijspeil van de exportproducten en het prijspeil van de importproducten.
- semiperiferie
- Begrip uit het centrum-periferiemodel (wereldsysteem): land of gebied dat een tussenpositie inneemt tussen het centrum en de periferie.
- wereldsysteem
- Indeling van de wereld volgens een bepaald model, zoals het centrum-periferiemodel, om met name de economische en politieke machtsverhoudingen uit te drukken.
- belastingtarief
- Het percentage belasting dat wordt opgelegd aan een individu, onderneming of instelling.
- buitenlandse investering
- Kapitaal dat wordt ingezet om in andere landen te investeren in bijvoorbeeld fabrieken, kantoren, infrastructuur of ondernemingen. Heet ook wel foreign direct investment (FDI).
- de-industrialisatie
- Afname van de productie en de werkgelegenheid in de industrie.
- foreign direct investment (FDI)
- Kapitaal dat wordt ingezet om in andere landen te investeren in bijvoorbeeld fabrieken, kantoren, infrastructuur of ondernemingen. Heet ook wel (directe) buitenlandse investering.
- global shift
- Het verschuiven van het economische zwaartepunt op de wereld.
- handelsbelemmering
- Voorwaarden die een land of een groep samenwerkende landen stelt aan de handel, waardoor er geen sprake is van vrijhandel.
- innovatie
- Een nieuw idee, product, dienst of proces.
- kapitaalstroom
- Internationale verplaatsing van geld of andere waardevolle eenheden.
- neokolonialisme
- Toenemende economische afhankelijkheid van met name de voormalige koloniën van westerse landen.
- neoliberalisme
- Politieke stroming die is gericht op marktwerking, een kleinere overheid, vrijhandel en vrijheid op het gebied van internationale kapitaalstromen.
- nieuw industrieland
- Land dat zich in korte tijd ontwikkelde tot geïndustrialiseerde land, met als kenmerken een exportgerichte economie en het ontvangen van buitenlandse investeringen. Heet ook NIC.
- offshoring
- Het verplaatsen van arbeidsintensieve onderdelen van de productieketen door mno's uit de centrumlanden naar landen met lagere lonen, waarbij de mno's eigenaar van de fabrieken of vestigingen blijven die ze daar kopen of laten bouwen.
- outsourcing
- Het uitbesteden van werk aan een ander bedrijf in Nederland of in een ander land, meestal vanwege kostenbesparing.
- Pacific Rim
- Regio's of landen rondom de Grote Oceaan (Pacific Ocean in het Engels) die een snelle economische groei doormaken.
- productieketen
- De onderdelen waaruit het productieproces van goederen bestaat: onderzoek en ontwerp, productie, distributie en consumptie.
- unipolaire wereld
- Wereldsysteem met één economisch en politiek machtig centrumgebied.
- vrijhandel
- Handel tussen landen die volledig plaatsvindt volgens de wetten van vraag en aanbod, zonder handelsbelemmeringen.
- vrijhandelsverdrag
- Een verdrag tussen landen en/
of regio's dat handelsbelemmeringen opheft. - Wereldhandelsorganisatie (WTO)
- Organisatie die gericht is op het liberaliseren van de wereldeconomie.
- absolute afstand
- De afstand die je meet langs een rechte lijn (hemelsbreed).
- absolute ligging
- De coördinaten van een plaats (N.B./
Z.B. en W.L./ O.L.). - andersglobalist
- Persoon, groepering of ngo die kritiek heeft op globalisering vanwege de negatieve gevolgen daarvan.
- informatie- en communicatietechnologie (ICT)
- Moderne, digitale technieken die een snelle, goedkope en overal toegankelijke uitwisseling van informatie mogelijk maken.
- multipolaire wereld
- Wereldsysteem met meerdere gelijkwaardige economisch en/
of politiek machtige centrumgebieden. - nationalisme
- Politieke ideologie die het eigen land, de eigen inwoners en de eigen nationale identiteit als uitgangspunt neemt.
- protectie
- Alle beschermende maatregelen die een regio of een land neemt die zorgen voor handelsbelemmeringen, waarmee binnenlandse producten worden beschermd tegen concurrentie van buitenlandse producten.
- relatieve afstand
- De afstand die je uitdrukt in tijd, kosten en moeite.
- relatieve ligging
- De ligging van een plaats ten opzichte van andere plaatsen, uitgedrukt in tijd, kosten en moeite.
- reshoring
- Het terughalen van economische activiteiten uit het buitenland.
- tijd-ruimtecompressie
- Proces waarbij de relatieve afstand tussen plaatsen afneemt vanwege verbeteringen in transport- en informatietechnologie.
- transportnetwerk
- Netwerk van vervoersstromen met hubs (knooppunten) en spokes (de verbindingen daartussen).
- transporttechnologie
- Technieken waaronder digitale technologie, die het mogelijk maken goederen sneller, goedkoper en op grotere schaal te vervoeren en distribueren.
- analfabetisme
- Deel van de bevolking ouder dan 15 jaar dat analfabeet is (niet kan lezen en/
of schrijven). - beroepsbevolking
- Alle personen tussen de 15 en 65 jaar die betaald werk hebben of zoeken.
- bruto regionaal product (brp)
- De totale geldwaarde van alle in een regio geproduceerde goederen en diensten (per jaar). Kan per hoofd van de bevolking worden weergegeven.
- gini-index
- Indicator voor de mate van ongelijkheid in inkomen of vermogen. Heet ook ginicoëfficiënt.
- ginicoëfficiënt
- Indicator voor de mate van ongelijkheid in inkomen of vermogen. Heet ook gini-index.
- human development index (hdi)
- Samengestelde indicator waarin het bnp per inwoner, de mate van scholing en de levensverwachting meeweegt. Heet ook VN-onwikkelingsindex.
- inkomen (per hoofd)
- Alles wat iemand per jaar ontvangt als opbrengst van arbeid, onderneming of vermogen.
- koopkracht
- Hoeveelheid goederen en diensten die een bevolking of een persoon kan kopen voor een bepaalde hoeveelheid geld.
- VN-ontwikkelingsindex
- Samengestelde indicator waarin het bnp per inwoner, de mate van scholing en de levensverwachting meeweegt. Heet ook human development index (hdi).
- blokvorming
- Samenwerking of organisatie van landen, vooral op economisch en/
of politiek gebied. - democratisch gehalte
- Mate waarin de politieke, economische en sociale macht verdeeld is over de bevolking van een land, hoeveel zeggenschap inwoners van een land hebben over hun eigen leven en hoe de regering en de overheid in een land functioneren.
- mensenrechten
- Rechten waarop ieder mens aanspraak kan maken, ongeacht herkomst, nationaliteit, overtuiging, gender, wettelijke status of andere kenmerken.
- samenwerkingsverband
- Groep van landen of organisaties die regelmatig overleg met elkaar hebben en/
of intensief met elkaar samenwerken. - bevolkingsdichtheid
- Het (gemiddelde) aantal inwoners per km2 in een regio.
- bevolkingsgroei
- De absolute of procentuele toename van het aantal bewoners van een gebied.
- bevolkingsspreiding
- Verdeling van mensen over een gebied of land.
- demografisch transitiemodel
- Model waarin de overgang wordt beschreven van een fase met hoge geboorte- en sterftecijfers naar een fase met lage geboorte- en sterftecijfers.
- demografische druk
- De verhouding tussen het niet-arbeidsproductieve deel en het arbeidsproductieve deel van de bevolking.
- kindersterfte
- Het aantal kinderen dat voor hun vijfde verjaardag is overleden (in % of in ‰).
- leeftijdsopbouw
- De samenstelling van de bevolking op basis van leeftijd en geslacht.
- natuurlijke bevolkingsgroei
- Ontwikkeling van het bevolkingsaantal door geboorte en sterfte.
- ontgroening
- Afname van het aandeel van jongeren onder de 15 jaar in de totale bevolking.
- sociale bevolkingsgroei
- Ontwikkeling van het bevolkingsaantal door immigratie en emigratie.
- vergrijzing
- Toename van het aandeel van de groep mensen van 65 jaar en ouder in de bevolking.
- verstedelijkingsgraad
- Aandeel van de stedelijke bevolking in de totale bevolking.
- verstedelijkingstempo
- Snelheid waarmee de verstedelijkingsgraad (per jaar) verandert (in %).
- vruchtbaarheidscijfer
- Het aantal levendgeborenen per jaar per duizend vrouwen van 15 tot 50 jaar.
- afstandsverval
- Het verschijnsel dat naarmate de afstand groter wordt, de intensiteit van relaties vermindert.
- amerikanisering
- Het verschijnsel dat op steeds meer plaatsen in de wereld uitingen van de Noord-Amerikaanse cultuur te zien zijn.
- culturele diffusie
- De verspreiding en vermenging van cultuurelementen, vernieuwingen of ideeën.
- culturele diversiteit
- Situatie waarin de cultuurelementen binnen een gebied of in de wereld van elkaar verschillen.
- culturele identiteit
- Culturele kenmerken van een persoon of een groep mensen die hen onderscheidt van andere personen of groepen mensen.
- culturele uniformiteit
- Situatie waarin de cultuurelementen binnen een gebied of in de wereld op elkaar lijken.
- cultuurelement
- Een door de menselijke geest voortgebracht element.
- cultuurgebied
- Gebied met gemeenschappelijke cultuurkenmerken.
- europeanisering
- Het overnemen van Europese waarden, normen, en cultuurelementen, maar ook van politieke en economische elementen, door mensen in de vroegere koloniën.
- godsdienst
- Een levensbeschouwing die uitgaat van het bestaan van een of meer goden.
- immobiliteit
- De situatie dat mensen en goederen zich niet met gemak kunnen verplaatsen.
- lingua franca
- Taal die op grote schaal als voertaal wordt gebruikt door mensen met verschillende moedertalen.
- migrantennetwerk
- De onderlinge contacten tussen migranten in een bepaalde gemeenschap, die veelal via sociale media verlopen.
- migratie
- Verhuizen van het ene naar het andere woongebied.
- mobiliteit
- Verplaatsing van mensen en goederen.
- ontheemde
- Iemand die op de vlucht is in eigen land, bijvoorbeeld vanwege oorlog, hongersnood of natuurrampen.
- pullfactor
- Reden die een gebied aantrekkelijk maakt voor migranten.
- pushfactor
- Reden om te verhuizen uit een gebied.
- regionalisme
- Het streven naar het behoud en de versterking van de eigen regionale culturele identiteit.
- selectieve migratie
- Het verschijnsel dat alleen bepaalde groepen (kunnen) verhuizen.
- separatisme
- Het proces waarbij een regio of gebied zich wil afscheiden van de rest van een land.
- taal
- Cultuurelement dat een belangrijk middel is in de overdracht van informatie, gevoelens en ideeën.
- vluchteling
- Iemand die vanwege sociaal-culturele, politieke of fysische ervaringen en motieven migreert en in nood en/
of levensgevaar is. - wereldburgerschap
- Het beschouwen van de hele wereld als thuis, waarbij er betrokkenheid is bij gebeurtenissen en processen op wereldschaal.
- Backwasheffect
- Economisch en sociaal nadelig effect in een gebied als gevolg van een ontwikkeling in een ander gebied.
- Ruimtelijke ongelijkheid
- Verschillen tussen gebieden, vooral de sociaal-economische verschillen die als onrechtvaardig of ongewenst worden beschouwd.
- Spreadeffect
- Economisch en sociaal positief effect in een gebied als gevolg van de ontwikkeling in een ander gebied.
- Assimilatie
- Het steeds meer (gedwongen) overnemen van overheersende cultuurelementen door minderheden met een andere cultuur.
- Grootmacht
- Land dat mondiaal veel economische, politieke en vaak ook militaire macht heeft.
- Mondiale en transnationale netwerken
- Verbanden tussen gebieden en/
of landen op economisch, politiek en/ of sociaal-cultureel terrein. Tussen twee of meer landen is het transnationaal; een wereldwijd netwerk noem je mondiaal. - Nieuwe Zijderoute
- Infrastructuurproject van China dat zich richt op verbindingen over land en over zee tussen Azië, Europa en Afrika.
- Regionale grootmacht
- Land dat op een continent of in een regio veel economische en politieke macht heeft.
- Sociale ongelijkheid
- Sociaal-economische verschillen binnen een bevolkingsgroep, die als onrechtvaardig of ongewenst worden beschouwd.
- Speciale economische zone (SEZ)
- Een gebied waar buitenlandse bedrijven zich min of meer vrij mogen vestigen en weinig belasting betalen.
- Afwenteling in ruimte en tijd
- Het overdragen van milieuproblemen en sociaal-economische problemen aan andere gebieden of generaties.
- Fragmentarische modernisering
- Het naast elkaar bestaan van moderne industrie en traditionele manieren van werken.
- Achterland
- Gebied dat een belangrijke functie heeft voor een knooppunt of mainport als het gaat om de aan- en uitvoer van goederen.
- Agglomeratie
- Een stad met daaraan vastgegroeide voorsteden en dorpen.
- Economisch cluster
- Een groep bedrijven en instellingen die nauw aan elkaar gerelateerd zijn en in de nabijheid van elkaar voorkomen.
- Global city
- Stad die binnen het wereldsysteem op economisch, cultureel en/
of politiek gebied een toonaangevende rol heeft; heet ook metropool of wereldstad. - Hub- en spoke-netwerk
- Samenhangend geheel van transport- en communicatieknooppunten (hubs) en de onderlinge verbindingen (spokes).
- Innovatie
- De ontwikkeling en succesvolle invoering van nieuwe of verbeterde producten, diensten, productie- en distributieprocessen.
- Internationale dienstverlening
- De diensten tussen landen onderling.
- Kosmopolitisme
- Het gevoel van mensen die zich verbonden voelen met de mensheid in het algemeen, sterker dan nationale of regionale identiteit; heet ook wereldburgerschap.
- Mainportregio
- De functionele regio waarvoor de mainport de belangrijkste hub vormt.
- Megalopolis
- Aaneengegroeid stedelijk gebied met een groot aantal sterk met elkaar verbonden agglomeraties en metropolen.
- Metropool
- Stad die binnen het wereldsysteem op economisch, cultureel en/
of politiek gebied een toonaangevende rol heeft; heet ook global city of wereldstad. - Mondiale financiële markt
- Financiële markt die van groot belang is in de wereldeconomie.
- Stedelijk netwerk
- Groep steden die onderling sterk verbonden zijn door contacten tussen bedrijven, overheden en instellingen.
- Wereldstad
- Stad die binnen het wereldsysteem op economisch, cultureel en/
of politiek gebied een toonaangevende rol heeft; heet ook global city of metropool. - Gated community
- Stadsdeel dat door een muur of hekwerk is afgesloten van de openbare ruimte; kan enkele gebouwen omvatten of een hele wijk.
- Getto
- Wijk of buurt waar etnische minderheden (gedwongen) bij elkaar wonen en waar informele groepen vaak maatschappelijke macht bezitten.
- In- en uitsluitingsmechanismen
- Proces op de woning- of arbeidsmarkt dat ertoe bijdraagt dat iemand ergens bij kan horen (insluiting) of juist niet (uitsluiting).
- Informele sector
- Ongeschoold, slechtbetaald werk in de dienstensector dat niet officieel wordt geregistreerd; mensen betalen geen belasting en hebben geen recht op uitkeringen.
- Kettingmigratie
- Vorm van volgmigratie die ontstaat doordat eerdere migranten informatie sturen naar achterblijvers.
- Racisme
- Theorie of opvatting waarbij mensen worden onderverdeeld in ‘rassen’, waarbij sommige groepen als superieur en andere als minderwaardig worden beschouwd.
- Ruimtelijke segregatie
- Ruimtelijke scheiding van kansarme en kansrijke (etnische) groepen in een stad of gebied.
- Sociaal-economische mobiliteit
- Verandering in sociale positie van personen of groepen binnen de maatschappij, bijvoorbeeld door verandering in inkomen.
- Sociale polarisatie
- Toename van sociaal-economische tegenstellingen tussen groepen met verschillende achtergronden.
- Central Business District (CBD)
- Het centrale zakencentrum in een stad met (financiële) kantoren, instellingen, uitgaansgebied en winkels.
- Edge city
- Concentratie van voornamelijk werk-, vrijetijds- en woongebieden, vaak in de buurt van snelwegen.
- Gentrificatie
- Proces van opwaardering van een wijk, waarbij kapitaalkrachtige bewoners worden aangetrokken en lagere inkomensgroepen worden verdrongen.
- Herstructurering
- Proces waarbij een verouderd en verloederd stadsgebied planmatig en meestal grootschalig wordt vernieuwd; vaak verandert de functie van het gebied.
- Ruimtelijke geleding
- De ruimtelijke verdeling van verschillende soorten wijken of functies over het stedelijke gebied.