Praten over poëzie
Publiek
Woorden in deze lijst (47)
Origineel
- Alliteratie
- Beginrijm: twee of meer woorden beginnen met dezelfde medeklinker(s): kort-klein.
- Anafoor
- Stijlfiguur waarbij meerdere zinnen achter elkaar beginnen met dezelfde woorden.
- Analyse
- Systematische beschrijving van achtereenvolgens de vorm, het rijm, een eventuele vaste vorm, semantische velden, beeldspraak en stijlfiguren.
- Antithese
- Tegenstelling.
- Assonantie
- Klinkerrijm: twee of meer woorden hebben dezelfde door de klinker(s) aangeduide klank, bijvoorbeeld: jou-flauw.
- Beeldspraak
- Vorm van figuurlijk taalgebruik waarbij iets wordt vergeleken met iets anders.
- Beginrijm
- Twee of meer woorden beginnen met dezelfde medeklinker(s).
- Binnenrijm
- Twee of meer woorden binnen dezelfde versregel rijmen op elkaar.
- Distichon
- Strofe die bestaat uit twee regels.
- Eindrijm
- Twee of meer woorden aan het eind van een versregel rijmen op elkaar.
- Enjambement
- Het afbreken van een zin op een grammaticaal onlogische plaats. Enjambementen vestigen de nadruk op bepaalde woorden die aan het begin of eind van een versregel staan.
- Enumeratie
- (Lange) opsomming van meer dan drie begrippen.
- Figuurlijk taalgebruik
- Alle vormen van taalgebruik waarbij iets anders wordt bedoeld dan er letterlijk staat.
- Gekruist rijm
- Rijmschema waarbij regel 1 en 3 rijmen, evenals regel 2 en 4 (abab).
- Gepaard rijm
- Rijmschema waarbij twee opeenvolgende regels rijmen, waarna er weer twee regels volgen die op elkaar rijmen (aabb).
- Halfrijm
- Vorm van eindrijm waarbij alleen de klinkers (of de medeklinkers) rijmen.
- Interpreteren
- Het toekennen van betekenis aan een gedicht; uitleggen waarover een gedicht gaat. Interpreteren doe je nadat je een analyse hebt gemaakt.
- Klinkerrijm
- Twee of meer woorden hebben dezelfde door de klinker(s) aangeduide klank.
- Kwatrijn
- Strofe die bestaat uit vier regels.
- Kwintet
- Strofe die bestaat uit vijf regels.
- Metafoor
- Vorm van beeldspraak: vergelijking waarin het object wordt weggelaten.
- Metonymia
- Vorm van beeldspraak waarbij het beeld alleen wordt genoemd en er een andere relatie is tussen beeld en object dan overeenkomst.
- Middenrijm
- Rijm in het midden van twee of meer versregels.
- Octaaf
- Strofe die bestaat uit acht regels.
- Omarmend rijm
- Rijmschema waarbij de rijmwoorden in regel 1 en 4 het rijmpaar in regel 2 en 3 ‘omarmen’ (abba).
- Paradox
- Schijnbare tegenstelling.
- Parafraseren
- Navertellen in je eigen woorden.
- Personificatie
- Vorm van beeldspraak waarbij een menselijke eigenschap wordt toegekend aan iets wat niet menselijk is.
- Poëzie
- Verzamelnaam voor gedichten, waartoe je ook liedteksten kunt rekenen. Eén kenmerk dat kenmerkend is voor alle poëzie is een bijzondere typografie.
- Pointe
- Een soort conclusie aan het einde van een sonnet, vaak gevormd door het distichon.
- Regels en zinnen
- Zinnen beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt; regels bestaan uit alle woorden die op één regel (dus naast elkaar) staan.
- Repetitio
- Herhaling.
- Rijmschema
- Schematische weergave van het eindrijm van een gedicht.
- Semantisch veld
- Begrippen die op grond van hun betekenis of associatie met elkaar verbonden zijn. Die verbinding is niet vaststaand, maar wordt gemaakt door de lezer.
- Septet
- Strofe die bestaat uit zeven regels.
- Sextet
- Strofe die bestaat uit zes regels.
- Slagrijm
- Rijmschema waarbij alle regels eindigen op dezelfde klank (aaaa).
- Sonnet
- Dichtvorm van gedichten die bestaan uit veertien regels die meestal verdeeld zijn over vier strofen.
- Stijlfiguur
- Vorm van taalgebruik die de aandacht vestigt op bepaalde aspecten van de inhoud van een tekst.
- Strofe
- Een strofe is opgebouwd uit een aantal regels en wordt door witregels gescheiden van andere strofen.
- Terzine
- Strofe die bestaat uit drie regels.
- Typografie
- Vormgeving van een tekst, waaronder afmeting en kleur van de letters, de verdeling over de pagina en het wit om de tekst heen.
- Vaste vorm
- Gedichten met een bepaalde vaststaande structuur en vaststaande vormkenmerken.
- Vergelijking
- Vorm van beeldspraak waarbij iets uit de werkelijkheid (het object) wordt vergeleken met iets anders (het beeld).
- Verspringend rijm
- Rijmschema volgens het patroon abcabc.
- Volrijm
- Vorm van eindrijm waarbij aan het eind van de versregel zowel de klinkers als de medeklinkers rijmen.
- Wending
- Een tegenstelling of een omslag in het gevoel in een gedicht.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–