Unit 6 - Lesson 5 - Writing - NL/ENG
Publiek
Woorden in deze lijst (26)
Origineel
- camping
- campsite
- inpakken
- to pack
- koffer
- suitcase
- paspoort
- passport
- plannen
- to plan
- reserveren
- to reserve
- toerist
- tourist
- vakantie
- holiday (UK); vacation (US)
- vertrekken
- to leave
- vliegveld
- airport
- zonneschijn
- sunshine
- Heb je een leuke vakantie gehad?
- Did you enjoy your holiday?
- Waar ben je vorig jaar op vakantie geweest?
- Where did you go on holiday last year?
- Hoe reisde je?
- How did you travel?
- Met wie reisde je?
- Who did you travel with?
- Wanneer ben je gegaan?
- When did you go?
- Wat was je favoriete onderdeel van de vakantie?
- What was your favourite part of the holiday?
- Ik vond het geweldig.
- I had a great time.
- Ik vond het niet echt leuk.
- I didn’t really enjoy it.
- We zijn naar Nieuw-Zeeland geweest.
- We went to New Zealand.
- We zijn met de bus gegaan.
- We went by bus.
- We zijn met de auto gegaan.
- We went by car.
- We zijn met het vliegtuig gegaan.
- We went by plane.
- Ik reisde met mijn beste vriend.
- I travelled with my best friend.
- Ik ben in augustus gegaan.
- I went in August.
- Mijn favoriete onderdeel was het kamperen in de wildernis.
- My favourite part was when we camped outdoors in the wild.