Begrippen Hoofdstuk 3
Publiek
10keer geoefend
Woorden in deze lijst (45)
Origineel
- atmosferische circulatie
- algemeen systeem van luchtstromen op aarde en de daarbij behorende lage- en hogedrukgebieden
- corioliseffect
- het effect dat luchtstromen een zijwaartse afwijking krijgen door de draaiing van de aarde; op het noordelijk halfrond is deze afwijking naar rechts, op het zuidelijk halfrond naar links (ook: van Buys Ballot)
- hoogdrukgebied
- een gebied met een hoge luchtdruk dat ontstaat doordat lucht daalt
- intertropische convergentiezone (ITCZ)
- stabiel lagedrukgebied rond de evenaar waar het warm is en door opstijgende lucht veel buien voorkomen
- lagedrukgebied
- een gebied met een lage luchtdruk dat ontstaat doordat lucht opstijgt
- mondiale windsystemen
- algemeen systeem van luchtstromen op aarde en de daarbij behorende lage- en hogedrukgebieden (ook: atmosferische circulatie)
- passaat
- wind die van de subtropische hogedrukgebieden (30° N.B. en 30° Z.B.) richting de evenaar waait; op het noordelijk halfrond komt deze uit het noordoosten, op het zuidelijk halfrond uit het zuidoosten
- wet van Buys Ballot
- het effect dat luchtstromen een zijwaartse afwijking krijgen door de draaiing van de aarde; op het noordelijk halfrond is deze afwijking naar rechts, op het zuidelijk halfrond naar links (ook: corioliseffect)
- moesson
- wind die van de subtropische hogedrukgebieden richting de evenaar waait, die vervolgens kruist en van richting verandert; op het noordelijk halfrond komt de moesson uit het zuidwesten, op het zuidelijk halfrond uit het noordwesten
- klimaatclassificatie van Köppen
- indeling van klimaten op basis van de samenhang tussen klimaat en natuurlijke plantengroei
- klimaatfactoren
- oorzaken voor klimaatverschuivingen: breedtegraagting, gebergten, type oceaanstroom
- klimaatgebied (klimaatzone)
- groot gebied met sterke overeenkomsten in klimaat
- koude zeestroom
- zeestroom afkomstig uit een kouder gebied
- oceanische circulatie
- grote circulatiepatronen van oceaan- en zeestromen
- warme zeestroom
- zeestroom afkomstig uit een warmer gebied
- aride zone
- landschapszone gekenmerkt door een lage hoeveelheid neerslag, waardoor woestijn en steppe overheersen
- landschapszone
- groot gebied met sterke overeenkomsten in landschap
- tropische zone
- landschapszone rond de evenaar, gekenmerkt door tropisch regenwoud, savanne en tropische landbouw
- boreale zone
- landschapszone gekenmerkt door grote verschillen in temperatuur tussen zomer en winter, doordat de winters kouder zijn; er groeit hier hoofdzakelijk naaldhout (ook: taiga)
- gematigde zone
- landschapszone gekenmerkt door milde winters, koele zomers en voldoende vocht, waardoor er loofbossen groeien; momenteel is deze zone door menselijke activiteit vaak gebruikt voor landbouw
- polaire zone
- landschapszone rond de polen met ijs, toendra en weinig begroeiing
- subtropische zone
- landschapszone op de overgang van aride en gematigde zones, vaak gekenmerkt door droogtetolerante vegetatie
- dynamisch systeem
- een systeem dat voortdurend in verandering is, zoals een landschap; het landschap bestaat uit verschillende onderdelen die elkaar beïnvloeden (interacties)
- geofactoren
- factoren waaruit landschappen zijn opgebouwd en die invloed hebben op het ontstaan en veranderen van een landschap (bijvoorbeeld: ondergrond, reliëf, klimaat, water, bodem, plantenwereld, dierenwereld en menselijke activiteiten)
- versterkt broeikaseffect
- extra opwarming van de aarde door de uitstoot van broeikasgassen door de mens
- drainage
- het versneld afvoeren van water
- duurzaam landgebruik
- landgebruik gericht op behoud van de kwaliteit van de bodem
- irrigatie
- het opbrengen van water om natuurlijke vochttekorten te verminderen
- landdegradatie
- afname van de kwaliteit van de bodem of ondergrond door processen als verwoestijning en verzilting
- ontbossing
- het verwijderen van bos, waarna de vrijgekomen grond vaak voor landbouw wordt gebruikt
- overbeweiding
- het laten grazen van te veel vee, waardoor de vegetatie zich onvoldoende kan herstellen
- versnelde bodemerosie
- wegspoelen van bodemdeeltjes door water of wind door menselijke activiteiten
- verzilting
- ophoping van zout in de bodem in (vaak) slecht gedraineerde irrigatiegebieden
- intensiteit van de neerslag
- heftigheid van de neerslag; een onweersbui heeft een hogere intensiteit dan een druilerige dag
- irrigatielandbouw
- landbouw waarbij water wordt opgevoerd om natuurlijke droogteperioden te verminderen
- mediterrane landbouw
- landbouw die is aangepast aan de droge, warme zomers van het Middellandse Zeeklimaat
- medierrane vegetatie
- vegetatie die is aangepast aan de droge zomers en natte winters van het Middellandse Zeeklimaat (ook: maquis/
garrigue) - mediterrane Zeeklimaat
- klimaat met milde winters en droge zomers
- jarige neerslag
- jaarlijkse verschillen in neerslag; het ene jaar valt er meer neerslag dan het andere
- waterbalans
- het verschil tussen de beschikbare en de benodigde hoeveelheid water
- aardverschuiving
- gebeurtenis waarbij grote aantallen grond van een helling naar beneden glijden
- caldera
- grote krater die door een vulkanische explosie is ontstaan
- convergente plaatbeweging
- grenzen tussen tektonische platen, waarbij de platen naar elkaar toe bewegen
- explosieve eruptie
- heftige vulkaanuitbarsting
- strovulkaan
- kegelvormige vulkaan opgebouwd uit laagjes lava en as