nederlands - frans voca EF grandes lignes editie 7.1 chapitre 1 vwo
Publiek
7
Woorden in deze lijst (52)
Origineel
- alles/
alle - tout
- bijna
- presque
- te/
teveel - trop
- ten eerste/
eerst - d'abord
- eindelijk
- enfin
- in de lente
- au printemps
- in de zomer
- en été
- in de herfst
- en automne
- in de winter
- en hiver
- altijd
- toujours
- ik wil
- je veux
- in het buitenland
- à l'étranger m
- moe
- fatigué(e)
- reizen
- voyager
- de stad
- la ville
- Nederlands
- néerlandais
- Engels
- anglais
- Duits
- allemand
- Spaans
- espagnol
- Frans
- français
- Wat heb je deze zomer gedaan?
- Qu'est-ce que tu as fait cet été?
- Ik ben naar het strand geweest.
- J'ai été à la plage.
- Ik heb gefietst.
- J'ai fait du vélo.
- Ik heb een museum bezocht.
- J'ai visité un musée.
- Heb je Frans gesproken?
- Tu as parlé français?
- Ja, een beetje./
Nee, helemaal niet. - Oui, un peu. /
Non, pas du tout. - Ik heb nu veel Franse vrienden.
- Maintenant, j'ai beaucoup d'amis français.
- de plek
- l'endroit m
- het water
- l'eau v
- de zee
- la mer
- het zwembad
- la piscine
- hier is/
zijn - voici
- kamperen
- faire du camping
- de excursie
- l'excursion v
- het verblijf
- le séjour
- de activiteit
- l'activité v
- de week
- la semaine
- op
- sur
- ook
- aussi
- ontdekken
- découvrir
- bezoeken
- visiter
- (iets) voorstellen
- proposer
- de berg
- la montagne
- het kasteel
- le château
- het klimmen
- l'escalade v
- winkelen
- faire les magasins
- de avond
- la soirée
- Hebben jullie gekampeerd?
- Vous avez fait du camping?
- Nee, we zijn in een hotel geweest.
- Non, on a été à l'hôtel.
- We hebben een appartement gehuurd.
- On a loué un appartement.
- Hoe was het?
- C'était comment?
- Het was geweldig!
- C'était génial!
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–