Transcriptie
Publiek
Woorden in deze lijst (16)
Origineel
- Transcriptie
- Het proces waarbij de nucleotidevolgorde van een gen in het DNA wordt gekopieerd naar een RNA-molecuul.
- RNA
- Enkelstrengs nucleïnezuur dat bestaat uit nucleotiden met ribose en de stikstofbasen adenine, cytosine, guanine en uracil.
- mRNA
- Messenger-RNA dat de informatie voor de synthese van een eiwit overbrengt van het DNA naar een ribosoom.
- rRNA
- Ribosomaal RNA dat een belangrijk bestanddeel vormt van ribosomen.
- tRNA
- Transfer-RNA dat aminozuren uit het cytoplasma bindt en naar een ribosoom vervoert.
- RNA-polymerase
- Enzym dat aan de promotor van een gen bindt en vrije RNA-nucleotiden koppelt aan de template-streng van het DNA.
- Promotor
- Plaats in het DNA waaraan RNA-polymerase kan binden om de transcriptie te starten.
- Transcriptiefactoren
- Eiwitten die bij eukaryoten noodzakelijk zijn voor de binding van RNA-polymerase aan de promotor.
- Template-streng
- De DNA-keten waarlangs de transcriptie plaatsvindt, ook wel matrijsstreng genoemd.
- Coderende streng
- De DNA-keten tegenover de template-streng die tijdens de transcriptie niet wordt afgelezen.
- Pre-mRNA
- Het RNA-molecuul dat bij eukaryoten door transcriptie ontstaat en nog bewerkt moet worden voordat het de celkern verlaat.
- RNA-processing
- Het bewerken van pre-mRNA tot functioneel mRNA in de celkern van eukaryoten.
- Introns
- Niet-coderende stukken DNA in een gen die bij de vorming van mRNA worden verwijderd.
- Exons
- Coderende stukken DNA in een gen die informatie bevatten voor de synthese van eiwitten.
- Splicing
- Proces waarbij introns uit het pre-mRNA worden geknipt en de overgebleven exons aan elkaar worden geplakt.
- Alternatieve splicing
- Proces waarbij uit één pre-mRNA verschillende mRNA-moleculen ontstaan door exons op verschillende manieren samen te voegen.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–