AK begrippen hoofdstuk 3 3.1 t/m 3.7
Publiek
1keer geoefend
Woorden in deze lijst (34)
Origineel
- aride zone
- landschapszone gekenmerkt door een lage hoeveelheid neerslag, waardoor woestijn en steppe overheersen
- landschapszone
- groot gebied met sterke overeenkomsten in landschap
- tropische zone
- landschapszone rond de evenaar, gekenmerkt door tropisch regenwoud, savanne en tropische landbouw
- klimaatclassificatie van Köppen
- indeling van klimaten op basis van de samenhang tussen klimaat en natuurlijke plantengroei
- klimaatfactoren
- oorzaken voor klimaatverschillen: breedteligging, gebergten, type oppervlak
- klimaatgebied (klimaatzone)
- groot gebied met sterke overeenkomsten in klimaat
- koude zeestroom
- zeestroom afkomstig uit een kouder gebied
- oceanische circulatie
- containerbegrip voor alle oceaan- en zeestromen
- warme zeestroom
- zeestroom afkomstig uit een warmer gebied
- boreale zone
- landschapszone gekenmerkt door grote verschillen in temperatuur tussen zomer en winter, waarbij de winters koud zijn; er groeit hier hoofdzakelijk naaldwoud
- gematigde zone
- landschapszone gekenmerkt door milde winters, koele zomers en voldoende vocht, waardoor er loofbossen groeien; momenteel is deze zone dichtbevolkt en in hoge mate in gebruik voor de landbouw
- polaire zone
- landschapszone rond de polen met ijskappen, gletsjers en toendra
- subtropische zone
- landschapszone op de overgang van aride en gematigde zones, vaak gekenmerkt door droogtetolerante vegetatie
- atmosferische circulatie
- algemeen systeem van luchtstromen op aarde en de daarbij behorende lage- en hogedrukgebieden
- corioliseffect
- het effect dat luchtstromen een zijdelingse afwijking krijgen door de draaiing van de aarde; op het noordelijk halfrond is deze afwijking naar rechts, op het zuidelijk halfrond naar links (ook: wet van Buys Ballot)
- hogedrukgebied
- een gebied met een hoge luchtdruk dat ontstaat doordat lucht daalt
- intertropische convergentiezone (ITCZ)
- stabiel lagedrukgebied rond de evenaar waar het warm is en door opstijgende lucht veel buien voorkomen
- lagedrukgebied
- een gebied met een lage luchtdruk dat ontstaat doordat lucht opstijgt
- mondiale windsystemen
- algemeen systeem van luchtstromen op aarde en de daarbij behorende lage- en hogedrukgebieden (ook: atmosferische circulatie)
- passaat
- wind die van de subtropische hogedrukgebieden (30º N.B. en Z.B.) richting de evenaar waait; op het noordelijk halfrond komt deze uit het noordoosten, op het zuidelijk halfrond uit het zuidoosten
- wet van Buys Ballot
- het effect dat luchtstromen een zijdelingse afwijking krijgen door de draaiing van de aarde; op het noordelijk halfrond is deze afwijking naar rechts, op het zuidelijk halfrond naar links (ook: corioliseffect)
- dynamisch systeem
- een systeem dat voortdurend in verandering is, zoals een landschap; een landschap bestaat immers uit geofactoren die elkaar beïnvloeden (systeem), waardoor het landschap steeds opnieuw verandert (dynamisch)
- geofactoren
- factoren waaruit landschappen zijn opgebouwd en die van invloed zijn op het ontstaan en veranderen van die landschappen; hiertoe behoren: ondergrond (gesteente en reliëf), klimaat, de mens, bodem, water, lucht, plantenwereld en dierenwereld
- versterkt broeikaseffect
- extra opwarming van de aarde door de uitstoot van broeikasgassen door de mens
- moesson
- wind die van de subtropische hogedrukgebieden richting de evenaar waait, die vervolgens kruist en van richting verandert; op het noordelijk halfrond komt de moesson uit het zuidwesten; op het zuidelijk halfrond uit het noordwesten.
- drainage
- met behulp van buizen versneld afvoeren van water
- duurzaam landgebruik
- landgebruik gericht op behoud van de kwaliteit van de bodem
- irrigatie
- het opbrengen van water om natuurlijke vochttekorten te verminderen
- landdegradatie
- afname van de kwaliteit van de bodem of ondergrond door processen als versnelde bodemerosie en verzilting
- ontbossing
- verwijdering van bos, waarna de vrijgekomen grond voor onbepaalde tijd voor andere doeleinden, meestal landbouw, wordt gebruikt
- overbeweiding
- het laten grazen van te veel vee, waardoor de vegetatie zich onvoldoende kan herstellen
- versnelde bodemerosie
- wegspoelen of wegwaaien van bodemdeeltjes doordat de mens de vegetatie verstoord heeft
- verwoestijning
- proces van landdegradatie in relatief droge gebieden, waardoor opnieuw ontkiemen van planten ernstig bemoeilijkt wordt
- verzilting
- ophoping van zout in onder andere slecht gedraineerde irrigatiegebieden