1.1 Verzekeren
Publiek
Woorden in deze lijst (19)
Origineel
- Assurantiebelasting
- Belasting die jij als verzekerde betaalt over de verzekeringskosten.
- Dekking
- De gebeurtenissen die door een verzekering worden vergoed.
- Eigen risico
- Deel van de schade dat jij als verzekerde zelf moet betalen.
- Indexclausule
- Afspraak in een verzekeringspolis dat het verzekerde bedrag jaarlijks automatisch wordt aangepast aan de prijsstijgingen.
- Kans
- Waarschijnlijkheid dat een bepaalde gebeurtenis jou overkomt.
- Levensverzekering
- Verzekering die financiële risico’s verzekert die met de duur van je leven te maken hebben.
- Lijfrenteverzekering
- Verzekering die een geldbedrag uitkeert na een vooraf afgesproken datum, als voorziening voor je pensioen.
- Onderverzekering
- Je bezit verzekerd hebben voor een lager bedrag dan de werkelijke waarde.
- Overlijdensrisicoverzekering
- Verzekering die een geldbedrag uitkeert aan de nabestaanden, als de verzekerde voor een bepaalde datum overlijdt.
- Oververzekering
- Je bezit verzekerd hebben voor een hoger bedrag dan de werkelijke waarde.
- Polis
- Akte waarin een verzekeringsovereenkomst schriftelijk of digitaal is vastgelegd.
- Premie
- Het bedrag dat je als verzekerde op vaste momenten moet betalen om verzekerd te zijn.
- Schade
- Het nadelige financiële gevolg van een gebeurtenis.
- Schade-uitkering
- Het bedrag dat je krijgt uitbetaald als je een schade claimt op je verzekering.
- Schadeverzekering
- Verzekering waarbij de verzekeringsmaatschappij na bepaalde gebeurtenissen (brand, diefstal, een ongeval enzovoort) de schade vergoedt.
- Verzekeraar
- De verzekeringsmaatschappij.
- Verzekerde
- De persoon die een uitkering krijgt bij schade.
- Verzekerde waarde
- Het bedrag waarvoor jij een van je bezittingen verzekerd hebt.
- Verzekering
- Een overeenkomst waarbij de verzekeringsmaatschappij een financieel risico van jou overneemt, onder voorwaarde dat jij je premie betaalt.