6. Klimaat en natuurlandschappen in Europa
Publiek
Woorden in deze lijst (65)
Origineel
- aanlandige wind
- Wind vanaf zee/
Heet ook zeewind - aflandige wind
- Wind vanaf land
- boomgrens
- Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan 10 °C in de zomer)
- breedteligging
- De afstand van een plaats tot de evenaar
- dimensie
- De invalshoek van waaruit je een bepaald onderwerp bekijkt: fysisch, economisch, sociaal-cultureel, demografisch of politiek
- droog klimaat
- Klimaat met weinig of geen neerslag
- eeuwige sneeuw
- Gebied waar altijd sneeuw ligt
- firnbekken
- Verzamelbekken van sneeuw, hoog in de bergen
- fossiele brandstof
- Brandstof (aardgas, aardolie, bruinkool, steenkool) die in miljoenen jaren gevormd is vanuit planten- en/
of dierenresten/ Heet ook fossiele energiebron - fotosynthese
- Het onder invloed van zonlicht omzetten van water en koolzuurgas in glucose (suikers) en zuurstof door bomen en planten
- gematigde zone
- Luchtstreek tussen de breedtecirkels 23½ en 66½° N.B. en 23½ en 66½° Z.B. Gematigd wil zeggen: niet heel warm en niet heel koud
- glaciaal
- Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen
- glaciale landschapsvorm
- Landschap dat is gevormd door de schurende werking van gletsjers of landijs
- gletsjer
- Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift
- heuveland
- Gebied met een hoogteligging van tussen de 200 m en 500 m
- hoge breedte
- De ligging van een plaats ver van de evenaar (hoger dan 60° N.B. en Z.B.)
- hooggebergte
- Berggebied met toppen die hoger zijn dan 1.500 m
- hooggebergteklimaat
- Koud en nat klimaat. De temperatuur in de zomer is gemiddeld lager dan 0 °C
- hoogvlakte
- Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt/
Heet ook plateau - ijstijd
- Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen/
Heet ook glaciaal - interglaciaal
- Periode tussen twee ijstijden waarin het klimaat enkele graden opwarmt
- irrigatie
- Het kunstmatig nathouden van landbouwgronden
- klimaat
- Het gemiddelde weer in een bepaald gebied over een langere tijd, meestal dertig jaar
- klimaatdiagram
- Diagram met een overzicht van de gemiddelde temperatuur en de gemiddelde neerslag per maand in een plaats of een gebied
- klimaatscheiding
- Verschijnsel dat gebieden aan beide kanten van een berg andere neerslag- en temperatuurkenmerken hebben
- klimaatverandering
- Geleidelijke of abrupte verandering in het klimaat door natuurlijke processen en/
of invloed van de mens - koolstofdioxide (CO2)
- Gas in de dampkring dat voor het leven op aarde van groot belang is. Het is een broeikasgas
- koolstofkringloop
- Alle uitwisselingen van koolstofdioxide (CO2) op aarde
- laagland
- Gebied met een hoogteligging lager dan 200 m
- lage breedte
- De ligging van een plaats dicht bij de evenaar (lager dan 30° N.B. en Z.B.)
- landijs
- Honderden meters tot kilometers dikke lagen ijs op het land die zijn ontstaan doordat sneeuw eeuwenlang laag na laag bleef liggen en onderin werd samengeperst tot ijs
- landklimaat
- Klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur in de warmste maand hoger is dan 10 °C en in de koudste maand lager is dan –3 °C
- lijzijde
- De kant van de berg(en) die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag
- loefzijde
- De windkant van de berg(en); er valt veel neerslag
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde zone (luchtstreek) waar loofbomen groeien, zoals eiken en beuken
- luchtstreek
- Temperatuurzone op aarde: tropen, gematigde zone en poolstreken
- mediterraan klimaat
- Klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters
- middelgebergte
- Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn
- Middellandse Zeeklimaat
- Klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters/
Heet ook mediterraan klimaat - middernachtzon
- Periode in de zomer in de poolstreken waarin de zon niet ondergaat
- naaldbosgordel
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C
- natuurlijk broeikaseffect
- Opwarming van de aarde als gevolg van de van nature aanwezige broeikasgassen (zoals CO2) in de dampkring
- neerslag
- Water dat in vaste (sneeuw, hagel) of vloeibare (regen, mist) vorm uit de dampkring op aarde neerkomt
- plateau
- Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt
- poolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B. (noordpoolcirkel) en 66½° Z.B. (zuidpoolcirkel)
- poollicht
- Gekleurde luchtverschijnselen aan de hemel, veroorzaakt door botsing van zonnedeltjes en het magnetische veld van de aarde/
Heet ook noorderlicht/ aurora borealis - poolnacht
- Periode in de winter in de poolstreken waarin de zon niet opkomt
- poolstreek
- Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B./
Heet ook polaire zone - regenschaduw
- De lijzijde van een berg, waar de dalende, opwarmende lucht weinig of geen neerslag brengt
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap
- schiereiland
- Gebied dat aan drie kanten is omringd door zee
- steppe
- Natuurlandschap waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes
- stuwingsregen
- Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte
- subtropen
- Deel van de gematigde zone (luchtstreek) dat het dichtst bij de tropen ligt (sub = onder). Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone
- taiga
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C/
Heet ook naaldbosgordel - temperatuurgradiënt
- De daling van de temperatuur bij toenemende hoogte. Per 100 m stijging wordt het 0,6 °C kouder
- toendra
- Natuurlandschap in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struiken
- toendraklimaat
- Koud klimaat met in de warmste maand een gemiddelde temperatuur tussen de 0 en 10 °C
- versterkt broeikaseffect
- Versterking van het 'natuurlijke' effect van CO2 door de sterke toename van het gas in de dampkring
- verwoestijning
- Uitbreiding van een woestijn
- zeeklimaat
- Klimaat met een gemiddelde temperatuur in de warmste maand van boven de 10 °C en in de koudste maand van tussen de 18 en –3 °C. Het heeft koele zomers, zachte winters en er valt het hele jaar door neerslag
- zeespiegelstijging
- Stijging van de zeespiegel door het afsmelten van gletsjers en landijs en het uitzetten van het zeewater
- zeestroom
- Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit één richting waait
- zeewind
- Wind vanaf zee
- zijmorene
- Puin (zand, gruis, stenen, rotsblokken) dat aan de zijkanten van een gletsjer is blijven liggen