De Geo - Zuid-Amerika - Vwo bovenbouw - Zuid-Amerika: geologie en landschap
Publiek
Woorden in deze lijst (43)
Origineel
- altiplano
- Spaans voor hoogvlakte.
- andesiet
- Lichtgrijs uitvloeiingsgesteente met heel kleine kristallen en soms hier en daar grotere kristallen die tijdens een uitbarsting uit de magmakamer worden meegenomen.
- bekken
- Lager deel in de aardplaten dat door de verschillende rek- en compressiekrachten in de platen als geheel langzaam naar beneden beweegt of een laagte vormt.
- caatinga
- Savanne met doornachtige struiken.
- cerrado
- Boom- en grassavanne.
- compressie
- Proces van samendrukking dat ontstaat door het naar elkaar toe bewegen van lithosferische platen.
- cordillera
- Zuid-Amerika: Aaneengesloten rij van hoge bergen die samen een hooggebergte vormen. Heet ook gebergteketen.
- debiet
- De hoeveelheid water die op een bepaald punt door de rivier stroomt, in m³/
s. Heet ook waterafvoer. - effusieve eruptie
- Rustige vulkaanuitbarsting, van magma met minder dan 4% of meer dan 5,5% water.
- El Niño
- Periode met een sterke opwarming van het zeewater bij de evenaar langs de westkust van Zuid-Amerika en over een deel van de Grote Oceaan.
- ENSO
- Periodieke verandering van het luchtdrukpatroon in het gebied van de Grote Oceaan, in combinatie met een El Niño, het veranderen van de temperatuur van het zeewater.
- erts
- Gesteente waarin metalen in grotere of kleinere concentraties voorkomen.
- ertsvorming
- Het ontstaan van ertsen.
- explosieve eruptie
- Heftige vulkaanuitbarsting van magma met 4 tot 5,5% water en een relatief hoge viscositeit.
- fossiele energiebron
- Brandstof die in miljoenen jaren is gevormd uit organisch materiaal (planten- en/
of dierenresten). - gebergteketen
- Zuid-Amerika: Aaneengesloten rij van hoge bergen die samen een hooggebergte vormen. Heet ook gebergteketen.
- geografisch beeld
- De beschrijving van de ligging, gebiedskenmerken, bevolkingskenmerken en interne en externe relaties van een gebied.
- hoogtezone
- Gebied tussen twee hoogtelijnen.
- hoogvlakte
- Vlak of zachtgolvend gebied op meer dan 500 m hoogte.
- horst
- Hoger gelegen gebied tussen twee breuken.
- hotspot
- Het bovenste deel van een mantelpluim aan de onderkant van de lithosfeer.
- llanos
- Grassavanne met soms wat bomen.
- mangrove
- Natuurlijk vegetatietype langs modderige tropische en subtropische kusten, in zoutmoerassen en slijkerijke rivierdelta's.
- mantelpluim
- Enorme hoeveelheden opstijgend heet mantelmateriaal dat in een pluim waarschijnlijk vanaf de buitenkern tot aan het aardoppervlak reikt.
- mental map
- Kaart in je hoofd of op papier die een uitdrukking is van subjectieve beelden (percepties) van een gebied.
- mijnbouw
- Economische activiteit die gericht is op het onttrekken van delfstoffen aan de aardkorst om die te verwerken.
- pampa
- Natuurlijk vegetatietype van grassen en lage struiken in een droog gebied waar net genoeg regen valt voor dit type vegetatie. Heet in Zuid-Amerika pampa.
- perceptie
- De manier waarop iemand de werkelijkheid waarneemt en daaruit voor zichzelf een beeld vormt.
- regiem
- Jaarlijkse schommelingen in de waterafvoer van een rivier of beek.
- riftschouder
- Langgerekte, bergachtige, hoger liggende zone aan weerszijden van een riftvallei (die ontstaat onder invloed van de hitte van het magma vlak onder de lithosfeer).
- savanne
- Natuurlijk vegetatietype in de tropen met lange grassen, afgewisseld met groepjes bomen en struiken. In Zuid-Amerika zijn er drie typen savanne: llanos, cerrado en caatinga.
- schild
- Uitgestrekt, geologisch stabiel deel van de continentale korst dat bestaat uit gesteente dat meer dan 500 miljoen jaar oud is.
- selva
- Natuurlijk vegetatietype van dicht, ondoordringbaar bos in de warme en vochtige tropen. Heet in Zuid-Amerika selva.
- slab pull
- Proces waarbij onder invloed van de zwaartekracht een afgekoeld en zwaar geworden deel van een oceanische plaat wegzakt in de asthenosfeer. De oceanische plaat trekt daarbij de hele aardplaat mee. Dit is de belangrijkste aandrijvende kracht van de platentektoniek.
- slenk
- Laagte in het landschap die ontstaat doordat een blokvormig deel van de aardkorst wegzakt langs breukvlakken.
- steppe
- Natuurlijk vegetatietype van grassen en lage struiken in een droog gebied waar net genoeg regen valt voor dit type vegetatie. Heet in Zuid-Amerika pampa.
- stereotiep beeld
- Vastliggend, algemeen (dus collectief) beeld over een groep mensen, een gebied of een groep verschijnselen of gebeurtenissen.
- stroomgebied
- Het hele gebied dat afwatert op een bepaalde rivier.
- stroomstelsel
- Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die deel uitmaken van hetzelfde stroomgebied.
- tropisch regenwoud
- Natuurlijk vegetatietype van dicht, ondoordringbaar bos in de warme en vochtige tropen. Heet in Zuid-Amerika selva.
- viscositeit
- Een maat voor de stroperigheid van een stof.
- voorlandbekken
- Dalend en lager liggend gebied aan de landzijde van een zich vormend gebergte bij een convergente plaatgrens.
- waterafvoer
- De hoeveelheid water die op een bepaald punt door de rivier stroomt, in m³/
s. Heet ook waterafvoer.