In balans - Goed kiezen
Publiek
Woorden in deze lijst (21)
Origineel
- Betalingsbereidheid
- je maximum geldbedrag dat je als vrager zou kunnen betalen om een goed te verkrijgen zonder dat je er in welvaart op achteruitgaat (zijn welvaartsprijs als vrager).
- Budgetrestrictie
- het geld dat je uitgeeft wordt beperkt door het geld dat je ontvangt.
- Complementaire goederen
- goederen die samen meer waarde opleveren dan apart.
- Consumentensurplus
- het welvaartssurplus van een consument die producten koopt op de productmarkt.
- Goederen
- alle dingen, diensten of ervaringen waar iemand waarde aan hecht, alles wat je kunt gebruiken of waar je naar streeft.
- Kosten
- de goederen die je opgeeft.
- Immateriële welvaart
- de welvaart die je ontleent aan schaarse goederen die niet op de markt te koop zijn, zogenaamde niet-verhandelbare goederen.
- Individuele aanbodcurve
- een curve die aangeeft aan hoe de hoeveelheid die een individuele aanbieder aanbiedt afhangt van de marktprijs. De aangeboden hoeveelheid staat daarbij op de horizontale as en de marktprijs op de verticale as.
- Individuele vraagcurve
- een curve die aangeeft aan hoe de hoeveelheid die een individuele vrager vraagt (op de horizontale as) afhangt van de marktprijs (op de verticale as).
- Leveringsdrempel
- het minimum geldbedrag dat je als aanbieder zou moeten ontvangen om een goed op te geven zonder dat je er in welvaart op achteruitgaat (zijn welvaartsprijs als aanbieder).
- Materiële welvaart
- de welvaart die je ontleent aan schaarse goederen die op de markt te koop zijn.
- Marktprijs
- de ruilvoet tussen geld en een goed op de markt.
- Opbrengsten
- de goederen die je verkrijgt.
- Opofferingskosten
- de gemiste opbrengsten van het meest aantrekkelijke alternatief dat je moet opgeven.
- Ruilvoet
- de ruilverhouding die aangeeft hoeveel je van het ene goed moet opgeven om een eenheid van het andere goed te verkrijgen.
- Schaarse goederen
- goederen die je alleen kunt krijgen of behouden door er iets anders waardevols voor op te geven.
- Substitutiegoed
- een goed dat in dezelfde behoefte voorziet als een ander goed.
- Surplus
- het verschil tussen alle opbrengsten en alle kosten uitgedrukt in de rekeneenheid geld.
- Wederkerigheid
- het ontvangen van het ene goed gaat samen met het opgeven van een ander goed.
- Welvaart
- de som van alle goedheid die je ontleent aan schaarse goederen.
- Werknemerssurplus
- het welvaartssurplus van een werknemer die arbeid aanbiedt op de arbeidsmarkt.