Bio T7 (alle begrippen)
Publiek
4keer geoefend
Woorden in deze lijst (102)
Origineel
- Zuurstofconcentratie
- Aandeel van zuurstof, bijvoorbeeld in het bloed
- Glucoseconcentratie
- Aandeel van glucose, bijvoorbeeld in het bloed
- Dynamisch evenwicht
- Bepaalde factoren in een organisme schommelen rondom een bepaald evenwicht (de normwaarde)
- Regelkring
- Systeem dat ervoor zorgt dat de waarde van een bepaalde factor rondom een normwaarde schommelt
- Inwendig milieu
- Wordt gevormd door het bloed en de weefselvloeistof van een organisme
- Homeostase
- Het in stand houden van een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu van organismen
- Effector
- Uitvoerder in een regelkring
- Negatieve terugkoppeling
- Regelkring waarin een toename van het resultaat een remming van het proces veroorzaakt; een afname van het resultaat veroorzaakt een stimulering van het proces
- Positieve terugkoppeling
- Regelkring waarin een toename van het resultaat het proces versterkt
- Uitwendig milieu
- Omgeving van een organisme
- Signaalstoffen
- Stoffen waarmee communicatie tussen cellen in meercellige organismen plaatsvindt
- Hormoonklieren
- Geven signaalstoffen af in de vorm van hormonen
- Hormonen
- Signaalstoffen die de hormoonklieren afgeven
- Receptoren
- Delen van cellen waaraan een bepaald hormoon kan binden
- Doelwitorgaan
- Orgaan waarvan de cellen receptoren bezitten waaraan bepaalde hormonen kunnen binden
- Hormoonconcentratie
- Concentratie van een hormoon in het bloed; ook wel hormoonspiegel genoemd
- Hormoonreceptoren
- Receptoren voor een bepaald hormoon op of in de cellen van een doelwitorgaan
- Endocrien
- Type klier dat zijn product rechtstreeks aan het bloed afgeeft; hormoonklieren zijn endocriene klieren
- Exocrien
- Type klier dat zijn product via een afvoerbuis afgeeft
- Steroïdhormonen
- Hormonen die vaak worden gevormd uit cholesterol en eigenschappen van vetten hebben
- Receptor in het cytoplasma
- Receptor die zich in het cytoplasma bevindt; wanneer een hormoon zich aan een receptor in het cytoplasma bindt, ontstaat een hormoon-receptorcomplex
- Peptide- of eiwithormonen
- Hormonen die goed in water oplosbaar zijn en het celmembraan niet kunnen passeren; binden aan een receptor in het celmembraan
- Receptor in het celmembraan
- Bindt aan peptide- of eiwithormonen waardoor aan de binnenzijde van het celmembraan een signaalmolecuul (de second messenger) wordt gevormd of geactiveerd
- Second messenger
- Nadat een peptide- of eiwithormoon aan een receptor is gebonden, wordt een signaalmolecuul gevormd of geactiveerd dat het signaal in de cel doorgeeft
- Signaalcascade
- Signaal dat via meerdere schakels in de cel wordt doorgegeven
- Cascade
- Signaal dat via meerdere schakels in de cel wordt doorgegeven
- Hormoonstelsel
- Alle hormoonklieren in het lichaam
- Hypofyse
- Hormoonklier in de hersenen die verschillende hormonen produceert waarvan sommige de werking van andere hormoonklieren beïnvloeden
- Hypothalamus
- Gedeelte van de hersenen dat net boven de hypofyse ligt en de verbinding is tussen het zenuwstelsel en het hormoonstelsel
- Antidiuretisch hormoon
- Hormoon dat de resorptie van water in de nieren regelt bij de vorming van urine
- ADH
- Hormoon dat de resorptie van water in de nieren regelt bij de vorming van urine
- Releasing hormonen
- Hormonen die de productie van hormonen door de endocriene cellen in de hypofysevoorkwab stimuleren
- RH
- Hormonen die de productie van hormonen door de endocriene cellen in de hypofysevoorkwab stimuleren
- Schildklier
- Hormoonklier die thyroxine produceert; ligt in de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp aan
- Schildklierhormoon
- Hormoon dat de stofwisseling beïnvloedt en de groei en ontwikkeling bij kinderen stimuleert
- Eilandjes van Langerhans
- Endocriene cellen in de alvleesklier die hormonen produceren die ervoor zorgen dat de glucoseconcentratie in het bloed min of meer constant blijft
- Glucagon
- Hormoon uit de cellen van de eilandjes van Langerhans dat stimuleert dat glycogeen in lever en spieren wordt omgezet in glucose
- Insuline
- Hormoon uit de cellen van de eilandjes van Langerhans dat het transport van glucose door celmembranen versnelt en stimuleert dat glucose in lever en spieren wordt omgezet in glycogeen
- Epo
- Hormoon dat de productie van rode bloedcellen in het rode beenmerg stimuleert
- Bijnieren
- Liggen als kapjes boven op de nieren en bestaan uit bijnierschors en bijniermerg, dat bij een stressreactie adrenaline produceert
- Adrenaline
- Hormoon dat wordt geproduceerd door het bijniermerg en een snelle kortdurende werking heeft, waardoor de verbranding wordt bevorderd en je snel kunt handelen in een situatie van stress
- Zenuwstelsel
- Communicatienetwerk dat alle delen van het lichaam met elkaar verbindt en dat je op grond van de bouw kunt indelen in het centrale en perifere zenuwstelsel; op grond van de functie in het animale en autonome zenuwstelsel
- Centrale zenuwstelsel
- Bestaat uit de grote hersenen, de kleine hersenen, de hersenstam en het ruggenmerg
- Perifere zenuwstelsel
- Bestaat uit zenuwen die alle delen van het lichaam verbinden met het centrale zenuwstelsel
- Animale zenuwstelsel
- Deel van het zenuwstelsel dat vooral de bewuste reacties en de houding en beweging van het lichaam regelt
- Autonome zenuwstelsel
- Deel van het zenuwstelsel dat vooral de werking van inwendige organen regelt
- Prikkels
- Invloeden uit het milieu op een organisme waardoor in zintuigcellen impulsen ontstaan
- Impulsen
- Soort elektrische signalen die zenuwcellen kunnen ontvangen, geleiden en doorgeven
- Signaalverwerking
- Systeem waardoor het opvangen van prikkels uit de omgeving en het tot stand komen van gedrag mogelijk is
- Receptoren
- Zintuigcellen die prikkels uit het milieu opvangen en omzetten in impulsen
- Neuronen
- Zenuwcellen; geleiden impulsen en geven neurotransmitters af
- Zenuwcellen
- Zenuwcellen; geleiden impulsen en geven neurotransmitters af
- Neurotransmitters
- Signaalmoleculen die neuronen afgeven
- Myelineschede
- Ligt om (veel) axonen heen; bestaat uit gliacellen (cellen van Schwann)
- Cellen van Schwann
- Gliacellen die veel axonen omgeven
- Cell junction
- Verbinding tussen cellen in meercellige organismen
- Synapsen
- Contactplaatsen waar een impuls van de ene cel naar de andere cel kan worden doorgegeven
- Sensorische neuronen
- Neuronen die impulsen geleiden van zintuigcellen naar het centrale zenuwstelsel
- Schakelneuronen
- Neuronen die impulsen geleiden binnen het centrale zenuwstelsel
- Motorische neuronen
- Neuronen die impulsen geleiden van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren
- Zenuwen
- Hierin liggen uitlopers van sensorische en motorische neuronen bij elkaar
- Hersenschors
- Buitenste, grijze (sterk geplooide) gedeelte van de grote en de kleine hersenen
- Grijze stof
- Hierin bevinden zich de cellichamen van schakelneuronen
- Witte stof
- Hierin bevinden zich de axonen van schakelneuronen
- Hersenstam
- Gedeelte tussen de grote hersenen en het ruggenmerg dat impulsen geleidt
- Grote hersenen
- Deel van het centrale zenuwstelsel waar bewuste waarneming en bewuste bewegingen ontstaan
- Kleine hersenen
- Coördineren alle bewegingen van het lichaam
- Centra in de hersenschors
- Gebieden in de hersenschors waarvan de functie bekend is
- Ruggenmerg
- Deel van het centrale zenuwstelsel dat in het wervelkanaal ligt
- Reflexboog
- Weg die impulsen bij een reflex afleggen
- Orthosympatische zenuwstelsel
- Deel van het autonome zenuwstelsel dat het lichaam activeert en energie kost
- Parasympatische zenuwstelsel
- Deel van het autonome zenuwstelsel dat zorgt voor rust en herstel
- Impulsgeleiding
- Het geleiden van impulsen door het zenuwstelsel
- Rustpotentiaal
- Negatieve elektrische spanning van −70 mV over het membraan van een neuron
- Natrium-kaliumpompen
- Ionenpompen die natrium naar buiten en kalium naar binnen transporteren met ATP
- Ionenpompen
- Pompen die ionen actief door het celmembraan transporteren
- Actiepotentiaal
- Impuls die ontstaat bij het bereiken van de drempelwaarde (−50 mV)
- Refractaire periode
- Herstelfase waarin geen of moeilijk een nieuwe impuls ontstaat
- Prikkeldrempel
- Kleinste prikkel die een impuls veroorzaakt
- Sprongsgewijze impulsgeleiding
- Impuls springt van insnoering naar insnoering bij gemyeliniseerde axonen
- Exciterend
- Opwekkende postsynaptische potentiaal
- Inhiberend
- Remmende postsynaptische potentiaal
- Glad spierweefsel
- Spierweefsel in holle organen dat wordt aangestuurd door het autonome zenuwstelsel
- Spiercellen
- Vormen spierweefsel; versmelten bij dwarsgestreept spierweefsel
- Dwarsgestreept spierweefsel
- Spierweefsel met dwarse streping in skeletspieren
- Spiervezels
- Ontstaan door versmelting van spiercellen
- Pezen
- Bindweefsel waarmee spieren aan botten vastzitten
- Actine
- Dunne filamenten in een myofibril
- Myosine
- Dikke filamenten in een myofibril
- Tonus
- Lichte, voortdurende spierspanning
- Spierspanning
- Lichte, voortdurende spierspanning
- Spierspoeltjes
- Zintuigcellen die de spierspanning meten
- Peesspoeltjes
- Meten spierspanning en beschermen spieren tegen schade
- Antagonisten
- Spieren met een tegengestelde werking
- Langzame spiervezels
- Rode spiervezels die niet snel vermoeid raken
- Snelle spiervezels
- Witte spiervezels die snel vermoeid raken
- Krachttraining
- Training waardoor spieren zwaarder worden
- Duurtraining
- Training op uithoudingsvermogen
- Uithoudingsvermogen
- Vermogen om langdurig inspanning te leveren
- Warming-up
- Rustig begin van een training
- Cooling-down
- Activiteiten die herstel na inspanning bevorderen
- Doping
- Middelen en methoden die de sportieve prestaties kunstmatig verbeteren