Impulsgeleiding
Publiek
Woorden in deze lijst (22)
Origineel
- Rustpotentiaal
- Het verschil in elektrische lading tussen de binnen- en buitenkant van het celmembraan bij een neuron dat geen impuls geleidt.
- Natrium-kaliumpompen
- Transporteiwitten die actief natriumionen de cel uit en kaliumionen de cel in transporteren om de rustpotentiaal in stand te houden.
- Ionkanalen
- Transporteiwitten in het celmembraan die specifiek een bepaald ion doorlaten.
- Depolarisatie
- De verandering van de membraanpotentiaal waarbij het cytoplasma minder negatief wordt door de instroom van natriumionen.
- Drempelwaarde
- De kritieke membraanpotentiaal van ongeveer -50 mV waarbij een actiepotentiaal ontstaat.
- Actiepotentiaal
- Een impuls waarbij de binnenkant van het celmembraan gedurende korte tijd een positieve lading krijgt ten opzichte van de buitenkant.
- Repolarisatie
- Het herstel van de negatieve lading aan de binnenkant van het celmembraan na een actiepotentiaal door het uitstromen van kaliumionen.
- Hyperpolarisatie
- Een korte periode na de actiepotentiaal waarbij de membraanpotentiaal lager is dan de rustpotentiaal.
- Refractaire periode
- De herstelfase na een actiepotentiaal waarin een neuron tijdelijk niet of minder goed in staat is nieuwe impulsen te geleiden.
- Alles-of-nietsprincipe
- Het verschijnsel dat een impuls alleen ontstaat als de prikkel sterk genoeg is om de drempelwaarde te bereiken.
- Prikkeldrempel
- De kleinste sterkte van een prikkel die een impuls veroorzaakt.
- Impulssterkte
- De grootte van de verandering in de spanning over het celmembraan, die voor alle neuronen gelijk is.
- Impulsfrequentie
- Het aantal impulsen dat per tijdseenheid door een neuron wordt geleid.
- Sprongsgewijze impulsgeleiding
- De snelle verplaatsing van een impuls langs een gemyeliniseerd axon, waarbij de impuls van insnoering naar insnoering springt.
- Synaps
- De verbinding tussen een axon van het ene neuron en een andere cel waar de impulsoverdracht plaatsvindt.
- Synapsspleet
- De nauwe ruimte tussen het presynaptische en postsynaptische membraan.
- Exciterend postsynaptisch potentiaal (EPSP)
- Een kleine depolarisatie van het postsynaptische membraan die het ontstaan van een actiepotentiaal bevordert.
- Inhiberend postsynaptisch potentiaal (IPSP)
- Een kleine hyperpolarisatie van het postsynaptische membraan die het ontstaan van een actiepotentiaal remt.
- Summatie
- Het bij elkaar optellen van verschillende postsynaptische potentialen om de drempelwaarde te bereiken.
- Neurotransmitters
- Signaalstoffen die door neuronen in de synaptische spleet worden afgegeven om de impuls over te dragen naar een andere cel.
- Second messengers
- Moleculen die in een cel de boodschap van een neurotransmitter doorgeven aan ionkanalen.
- Astrocyten
- Geregelde gliacellen die de homeostase rond synapsen handhaven en deze omhullen.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–