6. Klimaat en natuurlandschap in Europa
Publiek
Woorden in deze lijst (48)
Origineel
- aanlandige wind
- Wind vanaf zee. Heet ook zeewind.
- aflandige wind
- Wind vanaf land.
- boomgrens
- Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan 10 °C in de zomer).
- broeikaseffect
- Vasthouden van zonnewarmte door de dampkring.
- dampkring
- De lucht om ons heen.
- droog klimaat
- Klimaat met weinig of geen neerslag.
- firnbekken
- Verzamelbekken van sneeuw, hoog in de bergen.
- gematigde zone
- Gebied tussen de breedtecirkels van 23½ en 66½° N.B. en 23½ en 66½° Z.B. Gematigd wil zeggen: niet te heet en niet te koud.
- gletsjer
- Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
- Golfstroom
- Zeestroom die warm water van de Golf van Mexico naar de westkust van Europa brengt.
- heuvelland
- Gebied met een hoogteligging tussen 200 m en 500 m.
- hooggebergte
- Gebied met bergen die hoger zijn dan 1.500 m.
- hooggebergteklimaat
- Koud en nat klimaat. De temperatuur in de zomer is gemiddeld lager dan 0 °C.
- hoogvlakte
- Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt. Heet ook plateau.
- ijstijd
- Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen.
- klimaat
- Het klimaat is het gemiddelde weer in een bepaald gebied over dertig of veertig jaar.
- klimaatverandering
- Verandering in het klimaat (bijvoorbeeld hogere temperatuur).
- koolzuurgas (CO₂)
- Gas in de dampkring dat voor het leven op aarde van groot belang is.
- laagland
- Gebied met een hoogteligging lager dan 200 m.
- laagvlakte
- Gebied zonder hoogteverschillen, dat lager ligt dan 500 m.
- landijs
- Dik ijspakket dat permanent op het land ligt.
- landklimaat
- Klimaat met in de winter een gemiddelde dagtemperatuur tussen de –3 en –10 °C.
- lijzijde
- De kant van de berg die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag.
- loefzijde
- De windkant van een gebergte met veel neerslag.
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde luchtstreek waar loofbomen, zoals eiken en beuken, groeien.
- luchtstreek
- Temperatuurzone op aarde: tropen, gematigde zone en poolstreken.
- Middellandse Zeeklimaat
- Klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters.
- middelgebergte
- Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.
- naaldbosgordel
- Zone in de gematigde luchtstreek waar naaldbomen groeien. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook taiga.
- noordpoolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B.
- permafrost
- Altijd bevroren ondergrond.
- plateau
- Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt. Heet ook hoogvlakte.
- poolstreek
- Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B.
- regenschaduw
- De lijzijde van een berg, waar de dalende en warme lucht weinig of geen neerslag brengt.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- schiereiland
- Gebied dat aan drie kanten is omringd door de zee.
- steppe
- Droog gebied waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.
- stuwingsregen
- Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.
- subtropen
- Deel van de gematigde zone dat het dichtst bij de tropen ligt (sub = onder). Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone.
- taiga
- Zone in de gematigde luchtstreek waar naaldbomen groeien. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook naaldbosgordel.
- toendra
- Boomloos gebied in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struikjes.
- toendraklimaat
- Koud klimaat, met 's zomers een gemiddelde dagtemperatuur die lager is dan 10 °C.
- versterkt broeikaseffect
- De versterking van het 'natuurlijke' effect van CO₂ door de sterke toename ervan in de lucht.
- verwoestijning
- Uitbreiding van een woestijn.
- zeeklimaat
- Klimaat met het hele jaar neerslag, 's zomers koel en 's winters niet heel koud (gemiddelde dagtemperatuur nooit lager dan –3 °C).
- zeespiegel
- De gemiddelde hoogte van het zeewater.
- zeestroom
- Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit één richting waait.
- zeewind
- Wind vanaf zee. Heet ook aanlandige wind.