Biologie hoofdstuk 10.4
Publiek
1
Woorden in deze lijst (8)
Origineel
- fenotype
- erfelijke eigenschappen komen tot uiting in het fenotype door de aanwezigheid van bepaalde eiwitten
- genetische code
- de volgorde van nucleotiden in een mRNA-molecuul bepaalt welke aminozuren in een eiwitmolecuul worden ingebouwd.
- Codon
- bestaat uit drie opeenvolgende nucleotiden in mRNA die coderen voor een bepaald aminozuur
- codons coderen
- een start codon drie stopcodons. Stopcodons coderen niet voor een aminozuur, maar signaleren het eindpunt van translatie.
- tRNA-aminozuurcomplexen
- drie nucleotiden op een van de lussen van het tRNA-molecuul vormen een anticodon dat kan binden aan de stikstofbasen van een complementair codon van een mRNA-molecuul
- translatie
- in ribosomen wordt aan de hand van codons in mRNA een eiwit gevormd
- eiwitsynthese
- een ribosoom en een tRNA-methioninecomplex binden aan het startcodon. Een tRNA-aminozuurcomplex passeert in een ribosoom achtereenvolgens de A-, P- en E-plaats. Op de A- en P-plaats wordt de aminozuurketen gevormd, rop de E-plaats verlaat het tRNA zonder aminozuur het ribosoom.
- Eiwitten die in ribosomen zijn ontstaan worden verder beperkt.
- Bewerking kan in het celplasma, het endoplasmatisch reticulum of het golgiysteem plaatsvinden. Sommige eiwitten worden pas functioneel als ze buiten de cel zijn afgescheiden.