Kapitel 3 - Grammatik

Publiek
1keer geoefend
Woorden in deze lijst (49)
Origineel
- ich kann
- ik kan
- du kannst
- jij kan
- er,sie,es kann
- hij, zij, het kan
- wir können
- wij kunnen
- ihr könnt
- jullie kunnen
- sie, Sie können
- zij kunnen, u kunt
- ich darf
- ik mag
- du darfst
- jij mag
- er,sie,es darf
- hij,zij,het mag
- wir dürfen
- wij mogen
- ihr dürft
- jullie mogen
- sie,Sie dürfen
- zij mogen, u mag
- ich mag
- ik lust, vind lekker, vind leuk, hou van
- du magst
- jij lust, vindt lekker, vindt leuk, houdt van
- er,sie,es mag
- hij,zij,het lust, vindt lekker, vindt leuk, houdt van
- wir mögen
- wij lusten, vinden lekker, vinden leuk, houden van
- ihr mögt
- jullie lusten, vinden lekker, vinden leuk, houden van
- sie,Sie mögen
- zij lusten, vinden lekker, vinden leuk, houden van, u lust, vindt lekker, vindt leuk, houdt van
- ich weiß
- ik weet
- du weißt
- jij weet
- er,sie,es weiß
- hij,zij,het weet
- wir wissen
- wij weten
- ihr wisst
- jullie weten
- sie,Sie wissen
- zij weten, u weet
- ich will
- ik wil
- du willst
- jij wil
- er,sie,es will
- hij,zij,het wil
- wir wollen
- wij willen
- ihr wollt
- jullie willen
- sie,Sie wollen
- zij willen, u wil
- ich muss
- ik moet (noodzaak)
- du musst
- jij moet (noodzaak)
- er,sie,es muss
- hij,zij,het moet (noodzaak)
- wir müssen
- wij moeten (noodzaak)
- ihr müsst
- jullie moeten (noodzaak)
- sie,Sie müssen
- zij moeten, u moet (noodzaak)
- ich soll
- ik moet (van een ander; eigenlijk)
- du sollst
- jij moet (van een ander; eigenlijk)
- er,sie,es soll
- hij,zij,het moet (van een ander; eigenlijk)
- wir sollen
- wij moeten (van een ander; eigenlijk)
- ihr sollt
- jullie moeten (van een ander; eigenlijk)
- sie,Sie sollen
- zij moeten, u moet (van een ander; eigenlijk)
- ich kann, du kannst, er-sie-es kann, wir können, ihr könnt, sie-Sie können
- kunnen (idewis)
- ich darf, du darfst, er-sie-es darf, wir dürfen, ihr dürft, sie-Sie dürfen
- mogen (idewis)
- ich mag, du magst, er-sie-es mag, wir mögen, ihr mögt, sie-Sie mögen
- lusten, lekker vinden, leuk vinden, houden van (idewis)
- ich weiß, du weißt, er-sie-es weiß, wir wissen, ihr wisst, sie-Sie wissen
- weten (idewis)
- ich will, du willst, er-sie-es will, wir wollen, ihr wollt, sie-Sie wollen
- willen (idewis)
- ich muss, du musst, er-sie-es muss, wir müssen, ihr müsst, sie-Sie müssen
- moeten (noodzaak) (idewis)
- ich soll, du sollst, er-sie-es soll, wir sollen, ihr sollt, sie-Sie sollen
- moeten (van een ander; eigenlijk) (idewis)